ECLI:NL:PHR:2014:656

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
2 juli 2014
Zaaknummer
13/04780
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen verwerping noodweer en bewezenverklaring poging doodslag

Het cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2012, waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag en het beroep op noodweer werd verworpen. De verdediging klaagde in cassatie over de motivering van het hof, met name over het niet nader onderzoeken van de aard van de verwondingen van verdachte en de bewijsvoering omtrent de poging tot doodslag.

De Hoge Raad stelt vast dat de weerlegging van het noodweerberoep berust op feitelijke gronden en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd. Het hof baseerde zich op verklaringen waarin verdachte zich met een mes op het slachtoffer wierp, wat voldoende was om een aanmerkelijke kans op de dood vast te stellen.

Verder werd het cassatieberoep verworpen omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kon leiden. Ook het betoog over schending van de redelijke termijn werd niet ontvankelijk geacht. De Procureur-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat poging tot doodslag bewezen verklaarde en het beroep op noodweer verwierp, blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/04780
Mr. Vegter
Zitting 10 juni 2014
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 17 december 2012. Er is tijdig een schriftuur ingekomen.
2. Het
eerste middelklaagt kennelijk over de motivering van de verwerping van een beroep op noodweer. De weerlegging van het verweer berust op puur feitelijke grond en is niet onbegrijpelijk. Dat thans in cassatie nog wordt betoogd dat het Hof nader onderzoek had kunnen doen naar de aard van de verwondingen van verdachte doet daar niet aan af. Het
tweede middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van poging tot doodslag. Er zou niet vaststaan in welke richting en welke kracht is gestoken zodat het Hof niet kon concluderen dat er een aanmerkelijke kans was op de dood door verwonding met het mes. Ik volsta met een citaat uit bewijsmiddel 4: “[verdachte] (verdachte; PV) werd boos en wierp zich met een stekende beweging met een mes op [slachtoffer] (het slachtoffer; PV).” Deze middelen zijn kansloos en bij die stand van zaken heeft verdachte geen belang bij het
derde middeldat klaagt over schending van de redelijk termijn in cassatie.
3. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG