Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietkan worden erkend, dan zal hij de vordering strekkende tot veroordeling conform het buitenlandse vonnis dienen af te wijzen.
welin Nederland kan worden erkend en (ii) dat een behandeling ten gronde achterwege kan blijven, dan kan hij volstaan met een veroordeling conform het buitenlandse vonnis. Daarvoor is dat wel vereist dat het buitenlandse vonnis in zijn land van herkomst uitvoerbaar is ten tijde van de uitspraak van de Nederlandse rechter (uitvoerbaar in formele zin, vgl. HvJ EG 29 april 1999, C-267/97, NJ 2000, 477). In zo’n geval wordt de procedure immers als verkapte exequaturprocedure gebruikt, hetgeen rechtvaardigt dat dit vereist wordt gesteld (vgl., in andere kaders, artikel 38 EEX Pro-Verordening en artikel 986 lid 2 Rv Pro). Ook als is het Nederlandse vonnis de titel voor tenuitvoerlegging,
in feitegaat het om tenuitvoerlegging van het buitenlandse vonnis. Dit vereist heeft dus geen betrekking op de
erkenningvan het buitenlandse vonnis, maar op de mogelijkheid om in de procedure bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv Pro zonder behandeling ten gronde te veroordelen conform het erkende buitenlandse vonnis. Het is daarbij aan de partij die aldus veroordeling conform het buitenlandse vonnis vordert, om de uitvoerbaarheid van dat vonnis in het land van herkomst te stellen en, ingeval van gemotiveerde betwisting, te bewijzen (vgl. artikel 986 lid 2 Rv Pro). Komt in die situatie – dus een procedure bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv Pro die wordt gebruikt als verkapte exequaturprocedure – niet vast te staan dat het buitenlandse vonnis in zijn land van herkomst uitvoerbaar is, dan zal de rechter deze vordering strekkende tot veroordeling conform het buitenlandse vonnis moeten afwijzen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
erkenningvan het vreemde vonnis aan de orde. Voor de erkenning geldt niet de eis dat de beslissing in het land van herkomst uitvoerbaar moet zijn. De vraag naar de uitvoerbaarheid rijst in het kader van de tenuitvoerlegging onder verdragen en verordeningen waarin de wederzijdse tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is geregeld. [9] In dit verband kan ook worden gewezen op art. 986 lid 2 Rv Pro, waarin voor de (algemene) exequaturprocedure op grond van een Nederland bindend verdrag als eis wordt gesteld dat bij het verzoekschrift waarin het verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd een authentiek afschrift van de beslissing wordt overgelegd, ‘benevens de stukken, waardoor kan worden vastgesteld dat zij uitvoerbaar is in het land, waar zij is gewezen’. Onder de gelding van verdragen (en thans ook verordeningen) wordt de beslissing van de rechter van de staat van herkomst ‘uitvoerbaar’ verklaard in de staat van tenuitvoerlegging. De rechter in de staat van tenuitvoerlegging controleert slechts of aan de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging is voldaan. Is dit het geval, dan aanvaardt de rechter de buitenlandse beslissing als executoriale titel door het verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen. Hierop sluit ook aan dat het HvJEG in het arrest Coursier/Fortis Bank ten aanzien van het begrip ‘uitvoerbaar’ van het destijds geldende art. 31 EEX Pro-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX Pro-Verordening) heeft beslist dat dit begrip ‘uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van in het buitenland gegeven beslissingen en niet op de voorwaarden waaronder die beslissingen in de staat van herkomst ten uitvoer kunnen worden gelegd’. [10] Het Hof maakt in rov. 24 van deze prejudiciële beslissing een duidelijk onderscheid tussen de formele uitvoerbaarheid van de beslissing en ‘de vraag of deze beslissing wegens betaling van de schuld of om een andere reden niet meer ten uitvoer kan worden gelegd’. Waar verdragen (en verordeningen) echter ontbreken, geldt echter het verbod van art. 431 lid 1 Rv Pro: geen tenuitvoerlegging in Nederland van het vreemde vonnis.
erkenningvan dat vonnis in die zin dat de Nederlandse rechter aan de feitelijke en juridische beslissingen in het vreemde vonnis bindende kracht toekent. [12] Dat in het kader van de erkenning van het vreemde vonnis vereisten worden getoetst die gelijkenis vertonen met de eisen die onder de gelding van verdragen en verordeningen worden gesteld, doet daaraan niet af.
eerste klachtwordt betoogd dat het hof in rov. 10 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor de toewijsbaarheid van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv Pro de eis te stellen dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in zijn land van herkomst. Het middel (onder 1.1) voert aan dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat in een verkapte exequaturprocedure krachtens art. 431 lid 2 Rv Pro het buitenlandse vonnis niet uitvoerbaar wordt verklaard in de Nederlandse rechtsorde, zoals het geval is in een procedure op de voet van art. 985 e.v. Rv en art. 38 EEX Pro-Verordening. Volgens het middel doet het ontbreken van uitvoerbaarheid van het vreemde vonnis niet af aan de bindende kracht die de in dat vonnis vervatte eindbeslissingen hebben, zodat de rechter ook in een verkapte exequaturprocedure krachtens art. 431 lid 2 Rv Pro gezag kan toekennen aan een buitenlands vonnis. Art. 431 lid 2 Rv Pro maakt het de Nederlandse rechter mogelijk om, indien een beoordeling ten gronde noodzakelijk is, rekening te houden met de rechtsgevolgen van tijdsverloop volgens het recht dat op het onderliggende geschil van toepassing is en/of zijn lex fori, aldus het onderdeel.
tweede klachtwordt betoogd dat voor zover het ontbreken van uitvoerbaarheid van het Russische vonnis in de Russische Federatie in de weg kan staan aan een veroordeling conform dit vonnis, het hof in rov. 9 t/m 16 en 19 heeft miskend dat het op de voet van art. 431 lid 2 Rv Pro gehouden was de zaak opnieuw te behandelen en af te doen, en krachtens art. 23 Rv Pro behoorde te beslissen op al hetgeen Gazprombank heeft gevorderd en aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Deze klacht moet worden beschouwd als een subsidiaire klacht en behoeft bij het slagen van de eerste klacht geen behandeling. Ik merk over deze tweede klacht het volgende op onder verwijzing naar hetgeen ik in het algemeen heb opgemerkt over de procedure van art. 431 lid 2 Rv Pro (onder 2.2-2.8 van deze conclusie). Wanneer de Nederlandse rechter in de procedure van art. 431 lid 2 Rv Pro tot het oordeel komt dat het vreemde vonnis niet in Nederland kan worden erkend, zodat de daarin vervatte feitelijke en juridische beslissingen geen bindende kracht hebben, doet dit niet af aan de omstandigheid dat de procedure opnieuw aanhangig is gemaakt en dat de Nederlandse rechter de vordering thans inhoudelijk zal moeten beoordelen. Het hof heeft dit naar mijn mening miskend.
derde klachtis een veegklacht en behoeft in het licht van het voorgaande geen behandeling.