Conclusie
[eiser 1] en [eiseres 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6],
Stichting Belangenbehartiging Opstalhouders Haarlemmermeer,
1.Inleiding
13/00525 ([A] c.s./HHR)betreft een groep opstalhouders wier rechten destijds zijn gevestigd onder toepasselijkverklaring van de AV70 en inmiddels zijn geëxpireerd; zij vorderen medewerking aan verlenging van hun rechten tegen een op grond van de berekeningsmethode uit de AV70 bepaalde retributie.
13/00523ziet eveneens op een groep opstalhouders wier rechten zijn uitgegeven onder toepasselijkheid van de AV70. Zij verlangen dat hun rechten, die thans nog lopen, worden heruitgegeven onder toepasselijkverklaring van de AV2000.
13/00529 (SBOH c.s./HHR)ten slotte, draait in de kern om de vraag of het Hoogheemraadschap bij verlenging/heruitgifte aan zittende opstalhouders de AV2007 en het nieuwe retributiebeleid mag toepassen.
2.Feiten en procesverloop
primairdat het aanbod van art. 29 AV2000 een onherroepelijk aanbod is,
subsidiairdat het Hoogheemraadschap het aanbod niet heeft herroepen en dat het Hoogheemraadschap bij herroeping vanaf het moment waarop de opstalhouder van het voornemen tot herroeping in kennis is gesteld, een termijn van één jaar in acht dient te nemen waarbinnen het aanbod kan worden aanvaard, alsmede het Hoogheemraadschap zal veroordelen medewerking te verlenen aan de heruitgifte van opstalrechten onder de AV2000 voor alle opstalhouders die het aanbod tot heruitgifte op grond van art. 29 AV2000 hebben aanvaard.
3.Beoordeling van het cassatieberoep
Daaraan kunnen eventuele al dan niet uitdrukkelijk door bestuursleden of medewerkers van WGH gedane uitspraken over de strekking van de bepaling niet afdoen, reeds omdat de AV2000 zijn vastgesteld door het algemeen bestuur van WGH en niet is gesteld of gebleken dat het algemeen bestuur van WGH heeft beoogd, in weerwil van de tekst van de AV2000, met artikel 29 een Pro aanbod te doen waarop artikel 1, tweede lid, niet van toepassing was. Het bewijsaanbod van [eiser] c.s. op dit punt zal worden gepasseerd omdat dat bewijs niet tot een andere conclusie kan leiden.(…)
een aanbod te doenwaarop artikel 1, tweede lid, niet van toepassing was.” Ik meen echter dat deze zinsnede, gelet op de context ervan, niet aldus kan worden opgevat dat het hof hiermee doelt op het verrichten van een rechtshandeling. In rov. 4 wordt door het hof immers
uitleggegeven aan art. 29 AV2000, in welk kader het hof eerst heeft vastgesteld dat uit de tekst van de AV2000 als geheel volgt dat WGH zich de bevoegdheid heeft voorbehouden het in art. 29 vervatte Pro aanbod te herroepen. De daarop volgende, zojuist aangehaalde overweging omtrent het ‘doen van een aanbod’ door het algemeen bestuur van WGH ziet dan ook op de voor uitleg van art. 29 als Pro relevant aangemerkte bedoeling van het algemeen bestuur in zijn hoedanigheid van opsteller van de AV2000. Dat het hof het doen van het aanbod als rechtshandeling wel degelijk toerekent aan het WGH, blijkt voorts uit rov. 3, waar in het kader van de weergave van grief 1 door het hof de vermelding (tussen haken) van WGH als ‘aanbieder’ is toegevoegd.
aanbod als zodanigheeft gehandhaafd, maar dat zij de
financiële conditiesdie bij dat aanbod gelden, heeft gewijzigd. De precieze financiële condities zijn door het College op 18 april 2006 vastgesteld en op 18 mei 2006 aan belanghebbenden kenbaar gemaakt. Voorts heeft het hof vastgesteld (rov. 7) dat de vordering van [eiser] c.s. erop is gericht dat het in art. 29 AV Pro vervatte aanbod mag worden aanvaard
onder de door WGH in 2000 vastgestelde financiële condities.
datzij gedurende de looptijd van hun oude opstalrecht onder de AV70 op elk gewenst moment het aanbod ex art. 29 AV Pro zouden kunnen aanvaarden (rov. 8). Al zou dit voor 12 april 2006 gewekte vertrouwen – betreffende de mogelijkheid van een tussentijdse heruitgifte als zodanig – komen vast te staan, dan neemt dit niet weg dat [eiser] c.s. na 18 mei 2006 (toen de nieuwe financiële condities per brief bekend waren gemaakt) moest begrijpen dat
de financiële condities waaronderhet aanbod werd gedaan, waren gewijzigd. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in die omstandigheid eisers tot cassatie overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid het aanbod onder de oude financiële condities binnen een redelijke termijn na 18 mei 2006 hadden moeten aanvaarden en dat die redelijke termijn in ieder geval in april 2007 (toen zij het aanbod aanvaardden) verstreken was. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.