Conclusie
middelkomt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring.
eerste klachtkomt op tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte wist dat de gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op uitkering. Uit bewijsmiddelen 4 en 5 zou juist blijken dat de verdachte meende niet samen te wonen met [medeverdachte] en dat zij daarom niets heeft gemeld aan de Sociale Dienst.
tweede klachtis gericht op een gedeelte van de bewezenverklaarde periode, te weten 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004. Gedurende deze periode zou de verdachte niet in strijd hebben gehandeld met de inlichtingenverplichting als bedoeld in art. 17 van Pro de Wet werk en bijstand. Immers is deze bepaling eerst op 1 januari 2005 in werking getreden.
derde klachtkan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 (oud) WWB. Er zou niet zijn voldaan aan het huisvestingscriterium en het verzorgingscriterium.
bij de Hoge Raad der Nederlanden