Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 1betoogt de Staat dat de rechtbank in rov. 5.6 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting inzake de bewijslastverdeling in procedures op de voet van art. 17 RWN Pro door te oordelen dat de Staat geen bewijs van optieverklaring van de vader van [verweerder] heeft geleverd. Volgens de klacht heeft de rechtbank miskend dat op de Staat niet de volledige bewijslast rust van de stelling van de Staat dat de vader van [verweerder] op enig moment tussen 25 november 1975 en uiterlijk 26 mei 1976 door optie de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen, maar dat de Staat slechts verplicht is de juistheid van zijn stellingen ‘door overlegging van daartoe in aanmerking komende bescheiden’ te staven en dat het Surinaamse paspoort van de vader van [verweerder] daartoe in ieder geval behoort. Voorts voert de klacht aan dat de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn niet lijdelijk behoort op te stellen. Subsidiair voert de klacht aan dat het oordeel van de rechtbank in rov. 5.6 (en het daarop voortbouwende oordeel in rov. 5.7 en 5.8) onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ten slotte wordt voorwaardelijk als klacht aangevoerd dat voor het geval de rechtbank haar oordeel in rov. 5.6 heeft gebaseerd op de zienswijze dat naleving van het voorschrift van art. 11 lid 4 TOS Pro een geldigheidsvereiste is, zulks blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 11 lid 4 TOS Pro een voorschrift van administratieve aard is en niet de geldigheid van de optieverklaring raakt.
beleidvan de autoriteiten van de zendstaat (Suriname) op grond waarvan aan zijn diplomatieke ambtenaren een formele woonplaats wordt toegekend. Ten slotte merk ik op dat de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 1980 geen betrekking heeft op de woonplaats van diplomatieke ambtenaren, maar een algemene regel geeft voor het vaststellen van de woonplaats of werkelijke verblijfplaats in de zin van art. 3 TOS Pro.
klachten 1 en 2niet tot cassatie kunnen leiden.