ECLI:NL:PHR:2014:44

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2014
Publicatiedatum
12 februari 2014
Zaaknummer
13/04118
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 3 TOSArt. 6 lid 1 TOSArt. 6 lid 2 TOSArt. 8 lid 2 TOS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt behoud Nederlandse nationaliteit bij diplomatieke status vader na Surinaamse onafhankelijkheid

De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van [verweerder], geboren in 1969 als zoon van ouders met de Nederlandse nationaliteit. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 kreeg zijn vader, diplomaat bij de Surinaamse ambassade in Nederland, de Surinaamse nationaliteit op grond van de Toescheidingsovereenkomst (TOS). De vraag was of [verweerder] hierdoor zijn Nederlandse nationaliteit had verloren.

De rechtbank stelde vast dat de diplomatieke status van de vader leidde tot een fictieve woonplaats in Suriname, waardoor hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, terwijl [verweerder] in Nederland bleef wonen. De rechtbank oordeelde dat [verweerder] op grond van art. 6 lid 2 TOS Pro de nationaliteit van zijn moeder behield en dat hij zijn Nederlandse nationaliteit niet had verloren.

De Staat betoogde dat de vader had moeten opteren voor de Surinaamse nationaliteit en dat bewijs daarvoor ontbrak. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank de bewijslast correct had verdeeld en dat de verklaring van het Centraal Bureau voor Burgerzaken en de uitgifte van een Surinaams paspoort voldoende bewijs vormden.

De Hoge Raad bevestigde dat de diplomatieke status en het woonplaatsbegrip in de TOS zodanig moeten worden uitgelegd dat de belangen van de betrokken personen worden beschermd, en dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit niet automatisch volgt uit het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit door de vader. Het cassatieberoep van de Staat werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen; [verweerder] behoudt zijn Nederlandse nationaliteit.

Conclusie

Zaak 13/04118
Mr. P. Vlas
Zitting, 31 januari 2014
Conclusie inzake:
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verzoeker tot cassatie
(hierna: de Staat)
tegen
[verweerder],
verweerder in cassatie
(hierna: [verweerder])
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Aan de orde is de vraag of [verweerder] na de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS) [1] op 25 november 1975, de Nederlandse nationaliteit heeft verloren in verband met het feit dat zijn vader als diplomaat van de Republiek Suriname de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten, kort weergegeven, worden uitgegaan. [2]
(i) [verweerder] is op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] geboren als zoon van de op [geboortedatum] 1937 in Suriname geboren [de vader] (hierna: de vader) en diens echtgenote [de moeder], geboren op [geboortedatum] 1932 in Suriname (hierna: de moeder). Ten tijde van de geboorte van [verweerder] bezaten zijn ouders beiden de Nederlandse nationaliteit. [verweerder] verkreeg door geboorte als wettig kind van een Nederlandse vader op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a van de (toenmalige) Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) de Nederlandse nationaliteit.
(ii) De vader is in 1972 naar Nederland gereisd, alwaar hij van 28 december 1972 tot 19 augustus 1976 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) stond ingeschreven. In 1974 is de vader aangesteld als diplomaat bij het kabinet van de gevolmachtigde minister van Suriname in Den Haag. Na de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bleef hij in diplomatieke dienst werkzaam bij de Surinaamse ambassade in Den Haag. Op 19 augustus 1976 is hij in verband met diplomatieke immuniteit uitgeschreven uit de GBA. Op 23 juli 1980 is hij vertrokken naar Suriname en aldaar gaan werken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
(iii) De moeder is in april 1973 met haar drie (destijds) minderjarige kinderen, waaronder [verweerder], haar echtgenoot gevolgd naar Nederland. Zij woont sindsdien onafgebroken in Nederland. Niet in geschil is dat de moeder altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
(iv) De ouders van [verweerder] zijn op 28 januari 1986 gescheiden.
(v) [verweerder] verblijft sinds april 1973, met een onderbreking van 1992 tot 1997, in Nederland.
1.2
[verweerder] heeft op de voet van art. 17 RWN Pro de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn vader sinds 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit op grond van art. 3 TOS Pro en dat zijn vader nimmer na 25 november 1975 heeft geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit. Volgens [verweerder] blijkt uit een door hem overgelegde verklaring van het Centraal Bureau voor Burgerzaken van Suriname (hierna: CBB) van 19 maart 2013, dat zijn vader, gelet op diens diplomatieke status, geacht werd op 25 november 1975 woonplaats te hebben in Suriname. Nu zijn vader op 25 november 1975 in Suriname woonplaats had en zijn moeder op dat moment haar woonplaats in Nederland, volgt hieruit dat [verweerder] op grond van art. 6 lid 2 TOS Pro de nationaliteit van zijn moeder heeft en dat hij nadien zijn Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren, aldus [verweerder].
1.3
De Staat heeft in feitelijke aanleg geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en betoogd dat de vader met de moeder en de kinderen op 25 november 1975 feitelijk in Nederland verbleef en daarom op grond van de TOS zijn Nederlandse nationaliteit heeft behouden. Op enig moment tussen 25 november 1975 en 26 mei 1976 moet de vader voor de Surinaamse nationaliteit hebben geopteerd, omdat hem op laatstgenoemde datum een Surinaams paspoort is verstrekt, zodat [verweerder] als minderjarige op dat moment op grond van art. 6 lid 1 TOS Pro zijn vader is gevolgd in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit en niet is gebleken dat hij deze nationaliteit nadien heeft verloren. Voorts heeft de Staat de juistheid van de door [verweerder] overgelegde verklaring van het CBB betwist.
1.4
De rechtbank heeft in haar beschikking van 6 juni 2013 het verzoek van [verweerder] toegewezen. De rechtbank heeft daarbij, kort weergegeven, overwogen dat de visie van de Staat dat de vader van [verweerder] uiterlijk op 26 mei 1976 moet hebben geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit, niet met documenten is onderbouwd. Weliswaar is de optieverklaring in het kader van de TOS vormvrij, maar de Staat heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vader van [verweerder] op enig moment mondeling kenbaar heeft gemaakt te opteren voor de Surinaamse nationaliteit (rov. 5.6). Volgens de rechtbank blijkt uit de afgifte van het Surinaamse paspoort door de Surinaamse autoriteiten op 26 mei 1976, in combinatie met de verklaring van het CBB van 19 maart 2013, voldoende dat de Surinaamse autoriteiten ervan uitgaan dat de vader van [verweerder] – in verband met zijn diplomatieke status – vanaf de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit op grond van art. 3 TOS Pro (rov. 5.7). Volgens de rechtbank heeft de diplomatieke status van de vader van [verweerder] een uitzonderlijke situatie gecreëerd in die zin dat de vader ondanks zijn feitelijke woonplaats in Nederland, kennelijk een formele woonplaats is toegekend in het land waaraan hij als diplomaat verbonden was en waarvan hij de nationaliteit had. De diplomatieke status van de vader heeft ertoe geleid dat binnen het gezin waartoe [verweerder] behoorde verschillende nationaliteiten zijn verkregen en/of behouden. Uit de TOS blijkt niet dat een dergelijke situatie bij het opstellen van de TOS onder ogen is gezien, zodat sprake is van een uitzonderlijke situatie die noopt tot een uitleg van de TOS die het meest in overeenstemming is met de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS, aldus de rechtbank (rov. 5.8). Een redelijke uitleg van de TOS brengt mee dat wordt aangesloten bij de nationaliteit die [verweerder] zou hebben gehad indien hij op 25 november 1975 meerderjarig was geweest. In dat geval zou [verweerder], op dat moment woonachtig in Nederland, de Nederlandse nationaliteit hebben behouden (rov. 5.9). Van omstandigheden op grond waarvan [verweerder] die Nederlandse nationaliteit weer zou hebben verloren is niet gebleken (rov. 5.10).
1.5
De Staat is tijdig van de beschikking van de rechtbank in cassatie gekomen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het middel valt uiteen in vijf klachten die zijn gericht tegen rov. 5.6 t/m 5.11 van de bestreden beschikking van de rechtbank. De klachten 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.2
In
klacht 1betoogt de Staat dat de rechtbank in rov. 5.6 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting inzake de bewijslastverdeling in procedures op de voet van art. 17 RWN Pro door te oordelen dat de Staat geen bewijs van optieverklaring van de vader van [verweerder] heeft geleverd. Volgens de klacht heeft de rechtbank miskend dat op de Staat niet de volledige bewijslast rust van de stelling van de Staat dat de vader van [verweerder] op enig moment tussen 25 november 1975 en uiterlijk 26 mei 1976 door optie de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen, maar dat de Staat slechts verplicht is de juistheid van zijn stellingen ‘door overlegging van daartoe in aanmerking komende bescheiden’ te staven en dat het Surinaamse paspoort van de vader van [verweerder] daartoe in ieder geval behoort. Voorts voert de klacht aan dat de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn niet lijdelijk behoort op te stellen. Subsidiair voert de klacht aan dat het oordeel van de rechtbank in rov. 5.6 (en het daarop voortbouwende oordeel in rov. 5.7 en 5.8) onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ten slotte wordt voorwaardelijk als klacht aangevoerd dat voor het geval de rechtbank haar oordeel in rov. 5.6 heeft gebaseerd op de zienswijze dat naleving van het voorschrift van art. 11 lid 4 TOS Pro een geldigheidsvereiste is, zulks blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 11 lid 4 TOS Pro een voorschrift van administratieve aard is en niet de geldigheid van de optieverklaring raakt.
2.3
Klacht 2betoogt dat de rechtbank in rov. 5.7 en 5.8 van de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake het woonplaatsbegrip van art. 3 TOS Pro althans haar oordeel daarover onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft aan zijn oordeel mede ten grondslag gelegd dat de diplomatieke status van de vader van [verweerder] een uitzonderlijke situatie heeft gecreëerd (rov. 5.8). Met [verweerder] is de rechtbank er vanuit gegaan dat de vader voor zijn werk als ambassadesecretaris bij de Surinaamse ambassade in Den Haag in het bezit moest zijn van de Surinaamse nationaliteit en dat de Surinaamse autoriteiten ervoor hebben gekozen, met het oog op deze diplomatieke status van de vader, uit te gaan van een fictieve woonplaats in Suriname zodat de vader op 25 november 1975 op grond van art. 3 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit verkreeg (rov. 5.7).
2.4
Over deze klachten merk ik het volgende op. De procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN Pro is een verzoekschriftprocedure, waarop krachtens art. 284 Rv Pro het bewijsrecht zoals neergelegd in de negende afdeling van de tweede titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet. De aard van de vaststellingsprocedure in het kader van art. 17 RWN Pro kan zich tegen deze overeenkomstige toepassing verzetten, nu het hierbij gaat om het vaststellen van het Nederlanderschap waarover immers niet vrijelijk kan worden beschikt. [3] Door [verweerder] is, zoals de rechtbank in rov. 5.7 heeft overwogen, een verklaring van het CBB in het geding gebracht, waarin de directeur van het CBB heeft verklaard dat uit de bevolkingsadministratie van het CBB is gebleken dat de vader van [verweerder] op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen ingevolge art. 3 TOS Pro. [4] De rechtbank heeft overwogen dat uit deze verklaring van het CBB in combinatie met de uitgifte van een Surinaams paspoort aan de vader op 26 mei 1976 voldoende is gebleken dat de Surinaamse autoriteiten er vanuit gaan dat de vader vanaf de datum van de onafhankelijkheid van Suriname de Surinaamse nationaliteit bezit. De Staat heeft aangevoerd dat de vader op het moment van de onafhankelijkheid zijn woonplaats en werkelijk verblijf in Nederland had, dat niet wordt betwist dat de vader thans de Surinaamse nationaliteit heeft en dat de vader dus op enig moment tussen de datum van onafhankelijkheid en de verkrijging van het Surinaamse paspoort op 26 mei 1976 een optieverklaring heeft uitgebracht als bedoeld in art. 5 lid 1 en Pro/of art. 8 lid 2 TOS Pro. De rechtbank heeft dit betoog verworpen door in rov. 5.6 te overwegen dat de visie van de Staat niet met documenten wordt onderbouwd. De rechtbank heeft onderkend dat de optieverklaring vormvrij is, maar heeft tevens overwogen dat niet is gebleken dat toezending van de kennisgeving (inzake de optieverklaring) op de voet van art. 11 lid 4 TOS Pro daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft derhalve de verklaring van het CBB beslissend geacht alsmede het feit dat aan de vader een Surinaams paspoort is toegekend. Niet valt in te zien dat de rechtbank daarmee de regels van bewijsrecht zou hebben geschonden. De voorwaardelijke klacht over art. 11 lid 4 TOS Pro berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking, nu de rechtbank geenszins heeft geoordeeld dat de kennisgeving in de zin van art. 11 lid 4 TOS Pro een voorwaarde voor een geldige optieverklaring is. De beslissing is overigens niet onbegrijpelijk.
2.5
Art. 3 TOS Pro luidt als volgt:
‘De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben’.
Volgens de uitspraak van Uw Raad van 4 maart 1980 moet de vraag naar de woonplaats in de zin van art. 3 TOS Pro ‘zowel naar Surinaams als naar Nederlands recht worden beantwoord aan de hand van feitelijke omstandigheden’. [5] Tijdens de parlementaire behandeling van de met de onafhankelijkheid van Suriname samenhangende onderwerpen is aan de regering de vraag voorgelegd welke criteria moeten worden aangelegd ter bepaling van het begrip ‘woonplaats’ en het begrip ‘werkelijk verblijf’ in de zin van art. 3 TOS Pro. Hierop is het volgende geantwoord:
‘De leden van de al genoemde fracties hebben voorts gevraagd welke criteria zullen worden aangelegd bij het bepalen van ‘woonplaats of werkelijk verblijf’(artikel 3) en of ‘werkelijk verblijf’ zal prevaleren boven ‘woonplaats’ in gevallen waarin Nederlanders ingeschreven staan in Nederland en in Suriname. Volgens art. 10 van Pro Boek I B.W. bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Voor de bepaling van de woonplaats van een persoon is beslissend de woning die hij heeft betrokken en waar hij bestendig hoofdverblijf heeft. Is er geen sprake van een bestendig hoofdverblijf, dan geldt het werkelijk verblijf. Indien een uit Suriname afkomstig persoon vóór de onafhankelijkheidsdatum zijn woonplaats in Suriname heeft opgegeven en zich naar Nederland heeft begeven en in Nederland b.v. bij familie voorlopig onderdak heeft gevonden, dan zal hij geacht moeten worden in Nederland werkelijk verblijf te hebben. Een tijdelijk verblijf in verband met ziekteverlof of vakantie doet de woonplaats niet verloren gaan. Werkelijk verblijf prevaleert dus niet boven de woonplaats’. [6]
2.6
De rechtbank heeft in rov. 5.7 overwogen dat de diplomatieke status van de vader van [verweerder] ertoe heeft geleid dat de Surinaamse autoriteiten blijkbaar ervoor hebben gekozen uit te gaan van een fictieve woonplaats van de vader in Suriname, waardoor de vader op grond van art. 3 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit verkreeg (rov. 5.7). De rechtbank heeft zich hiermee kennelijk rekenschap gegeven van de in het volkenrecht aanvaarde regel dat leden van het diplomatiek personeel van de zending in beginsel de nationaliteit van de zendstaat moeten bezitten. Deze regel is neergelegd in art. 8 lid 1 van Pro het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159). Weliswaar was dit verdrag op 25 november 1975 nog niet in werking getreden voor Suriname en voor Nederland [7] , maar het verdrag kan worden beschouwd als een codificatie van een ‘long-established state practice’. [8] Uit de overgelegde verklaring van het CBB blijkt dat de vader van [verweerder] op grond van art. 3 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit heeft, zodat de rechtbank in de bestreden beschikking kon constateren dat in het onderhavige geval de Surinaamse autoriteiten kennelijk zijn uitgegaan van een fictief of formeel woonplaatsbegrip voor zijn diplomatieke ambtenaren. De onafhankelijkheid van Suriname brengt mee dat het woonplaatsbegrip dat de zendstaat (Suriname) wenst te hanteren ten aanzien van zijn diplomatieke ambtenaren dient te worden gerespecteerd door de ontvangststaat. De TOS behoort geen afbreuk te doen aan de algemeen in het volkenrecht aanvaarde regels inzake diplomatiek verkeer, waaronder de regel dat diplomatieke ambtenaren van de zendstaat de nationaliteit van die staat bezitten. Niet is vereist, zoals de Staat in zijn nadere uitwerking en toelichting onder 2.2 aanvoert, dat zou moeten blijken van het bestaan van een
beleidvan de autoriteiten van de zendstaat (Suriname) op grond waarvan aan zijn diplomatieke ambtenaren een formele woonplaats wordt toegekend. Ten slotte merk ik op dat de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 1980 geen betrekking heeft op de woonplaats van diplomatieke ambtenaren, maar een algemene regel geeft voor het vaststellen van de woonplaats of werkelijke verblijfplaats in de zin van art. 3 TOS Pro.
2.7
Er was voor de rechtbank ook geen reden, anders dan de Staat in zijn toelichting onder 2.3 betoogt, om uit te gaan van een foutieve vermelding in de verklaring van het CBB. Dat die verklaring uitsluitend ziet op de vader, is gelet op zijn diplomatieke status en gelet op de mogelijkheid dat binnen het gezin van een diplomatieke ambtenaar verschillende nationaliteiten bestaan, niet opmerkelijk. [9]
2.8
De Staat betoogt in zijn verzoekschrift onder 2.3 nog dat de overgelegde verklaring van het CBB slechts vrije bewijskracht heeft en dat de conclusie van de rechtbank dat de vader voor zijn werk als ambassadesecretaris bij de Surinaamse ambassade in Den Haag in het bezit moest zijn van de Surinaamse nationaliteit niet zonder meer kan worden getrokken, te meer niet nu voor Nederlanders die in Surinaamse staatsdienst treden een afzonderlijke regeling was getroffen.
2.9
De regeling waarop de Staat doelt, is het KB van 6 januari 1976 ‘betreffende algemeen verlof tot het treden in krijgs- of staatsdienst van de Republiek Suriname’ (Trb. 1976/1). [10] In dit Besluit was destijds het volgende bepaald:
‘Aan Nederlanders, die zich in krijgsdienst of staatsdienst van de Republiek Suriname begeven of zich na 24 november 1975 reeds hebben begeven, wordt hiertoe verlof verleend. Voor zover de dienst reeds is aangevangen wordt het verlof geacht te zijn verleend met ingang van de dag van indiensttreding’.
Dit KB had tot doel staatloosheid te voorkomen, omdat Nederlanders die in vreemde (in casu Surinaamse) krijgs- of staatsdienst traden het Nederlanderschap verloren op grond van art. 7 aanhef Pro en onder 4 van de (toenmalige) WNI. Het Besluit heeft derhalve geen betrekking op in Suriname geboren Nederlanders, maar op in Nederland geboren Nederlanders (‘Europese Nederlanders’) die vóór of na de onafhankelijkheidsdatum van Suriname in Surinaamse krijgs- of staatsdienst zijn getreden. [11] In de onderhavige zaak behoort de vader van Kruiskamp niet tot deze categorie.
2.1
De rechtbank heeft aan de verklaring van het CBB dat de vader van [verweerder] op grond van art. 3 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit heeft, bewijskracht toegekend. De visie van de Staat dat de vader uiterlijk op 26 mei 1976 moet hebben geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit (op grond van art. 5 lid 1 en Pro/of art. 8 lid 2 TOS Pro) is door de Staat niet onderbouwd met documenten, zoals de rechtbank in rov. 5.6 van de bestreden beschikking heeft overwogen. Deze overweging is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
2.11
Op grond van het bovenstaande meen ik dat de
klachten 1 en 2niet tot cassatie kunnen leiden.
2.12
Klacht 3faalt reeds omdat het oordeel van de rechtbank niet steunt op de opvatting dat – in de woorden van de klacht – ‘in geval van optie voor het Surinamerschap de Surinaamse nationaliteit eerst dan effectief wordt verkregen en eerst dan het Nederlanderschap verloren gaat, indien komt vast te staan dat de Surinaamse autoriteiten ervan blijk geven de door optie verkregen nationaliteit daadwerkelijk te erkennen’. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
2.13
Klacht 4is gericht tegen rov. 5.8 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de diplomatieke status van de vader ertoe heeft geleid dat binnen het gezin van [verweerder] verschillende nationaliteiten zijn verkregen en/of behouden. Volgens de klacht zou de diplomatieke status van de vader niet uitzonderlijk zijn, zou in de bijzonderheden van die status zijn voorzien in het reeds genoemde KB van 6 januari 1976 en zou de situatie dat binnen het gezin van [verweerder] verschillende nationaliteiten zijn ontstaan evenmin uitzonderlijk zijn.
2.14
De klacht kan niet tot cassatie leiden. De uitzonderlijke situatie waarop de rechtbank in rov. 5.8 doelt, is de situatie dat het hele gezin vóór de datum van onafhankelijkheid van Suriname de Nederlandse nationaliteit bezat en in Nederland ook voor die datum en daarna woonplaats of werkelijk verblijf had, maar dat aan de vader kennelijk een formele woonplaats in Suriname is toegekend met het oog op zijn status van diplomatiek ambtenaar van Suriname. Daardoor verkreeg de vader de Surinaamse nationaliteit, in tegenstelling tot de moeder van [verweerder]. Een en ander blijkt ook uit de uitschrijving van de vader uit de GBA ná 25 november 1975. De verwijzing van de Staat naar het KB van 6 januari 1976 snijdt geen hout. Ik volsta met verwijzing naar nr. 2.9 van deze conclusie.
2.15
De rechtbank heeft in rov. 5.8 klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat de TOS, voor zover daaraan het uitgangspunt van eenheid van nationaliteit binnen een gezin ten grondslag ligt, geen afbreuk kan doen aan de door de Surinaamse autoriteiten kennelijk gehuldigde woonplaatsfictie ten aanzien van de vader als diplomatiek ambtenaar van Suriname. Onder het begrip ‘woonplaats’ van art. 3 TOS Pro heeft de rechtbank kennelijk mede verstaan het door de Surinaamse autoriteiten ten aanzien van de vader van [verweerder] gehuldigde fictieve woonplaatsbegrip.
2.16
Klacht 5is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat art. 6 lid 2 TOS Pro beoogt te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen indien zij op 25 november 1975 meerderjarig waren geweest. Volgens de rechtbank brengt, ongeacht de vraag of art. 6 lid 2 TOS Pro ten aanzien van [verweerder] van toepassing is, een redelijke uitleg van de TOS in deze zaak mee dat wordt aangesloten bij de nationaliteit die [verweerder] zou hebben gehad indien hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest.
2.17
Art. 6 lid 2 TOS Pro luidt als volgt:
‘Minderjarigen volgen de nationaliteit die hun moeder ingevolge deze Overeenkomst verkrijgt of behoudt, indien en zolang zij met de moeder in een ander land verblijven dan de vader’.
In zijn beslissing van 13 oktober 1981, waarnaar de rechtbank in rov. 5.9 verwijst, heeft de Hoge Raad ten aanzien van art. 6 lid 2 TOS Pro het volgende overwogen:
‘De beperking van het tweede lid tot minderjarigen die in een ander land wonen dan hun vader wijst er veeleer op dat dit tweede lid bedoeld is geweest om te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen als zij op 25 nov. 1975 reeds meerderjarig zouden zijn geweest. Hierbij moet worden bedacht dat een overeenkomst als de onderhavige [de TOS; A-G] er in het algemeen toe strekt de belangen te dienen van zowel van de staten die de overeenkomst aangaan, in het bijzonder van de staat wiens onafhankelijkheid oorzaak van de overeenkomst is, als van degenen wier nationaliteit door de overeenkomst wordt geregeld’. [12]
2.18
De klacht faalt voor zover wordt betoogd dat er geen algemene regel in de TOS bestaat die bepaalt dat zij die minderjarig waren op het moment van de inwerkingtreding van de TOS altijd de nationaliteit moeten (kunnen) behouden die zij zouden hebben gehad wanneer zij op dat moment meerderjarig zouden zijn geweest. Een dergelijke regel is door de rechtbank niet aangenomen.
2.19
Over het door de Staat in onder 5.2 te berde gebrachte evenwicht tussen de verschillende belangen die bij de TOS een rol spelen, merk ik het volgende op. Door de Staat is niet aangevoerd dat Suriname er belang bij heeft dat [verweerder] de Surinaamse nationaliteit van zijn vader volgt. Uit de stukken van het geding in feitelijke aanleg blijkt daarentegen dat de Surinaamse autoriteiten [verweerder] niet (meer) beschouwen als Surinamer. [verweerder] heeft in 2006 in Nederlandse vreemdelingenbewaring gezeten en navraag bij de Surinaamse ambassade over zijn nationaliteit heeft tot niets geleid. Een redelijke uitleg van de TOS, zoals de rechtbank in rov. 5.9 voorstaat, brengt dan ook mee dat art. 6 lid 2 TOS Pro van toepassing wordt geacht. Anders blijft [verweerder] tussen wal en schip hangen en is hij staatloos.
2.2
In onderdeel 5.3 doet de Staat een beroep op de rechtszekerheid, omdat de rechtbank geen enkel gewicht lijkt toe te kennen aan de omstandigheid dat [verweerder] na het meerderjarig worden had kunnen opteren voor de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 6 lid 4 TOS Pro, maar zulks heeft nagelaten. Ook deze klacht faalt. De rechtszekerheid is juist een argument tegen het verlies van het Nederlanderschap van [verweerder]. Dat zijn zuster in het verleden gebruik heeft gemaakt van de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS Pro en [verweerder] zelf niet, doet daaraan niet af.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De TOS is gewijzigd bij Protocol van 14 november 1994, Trb. 1994, 280, in werking getreden op 1 december 1995. De wijzigingen hebben betrekking op art. 5 lid 2 en Pro art. 6 lid 4 TOS Pro en zijn in de onderhavige zaak niet van belang.
2.Zie rov. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2013.
3.Zie ook Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 284, aant. 5 (E.L. Schaafsma-Beversluis).
4.Zie bijlage nr. 13 van het verweerschrift zijdens [verweerder].
5.HR 4 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8679, NJ 1981/98, m.nt. M. Scheltema. De annotator wijst erop dat uit deze uitspraak volgt dat de rechter het begrip ‘woonplaats’ zelf behoort uit te leggen.
6.Zie Tweede Kamer, zitting 1974-975, 13473 (R 990), nr. 8-9, p. 9; ook opgenomen in: Handleiding betreffende de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, 1975, p. 27. Zie verder H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, p. 91.
7.Voor Nederland is het Verdrag inzake diplomatiek verkeer op 7 oktober 1984 in werking getreden (zie Trb. 1984, 108) en voor Suriname op 27 november 1992.
8.Zie Ian Brownlie, Principles of Public International Law, 7th ed., p. 349-350: ‘The rules of international law governing diplomatic relations were the product of long-established state practice reflected in the legislative provisions and judicial decisions of national law. The law has now been codified to a considerable extent in the Vienna Convention on Diplomatic Relations. Parts of the Convention are based on existing practice and other parts on a progressive development of the law’. Zie ook: Marjoleine Zieck, Diplomatiek en consulair recht, in: Nathalie Horbach, René Lefeber, Olivier Ribbelink (red.), Handboek Internationaal Recht, 2007, p. 277 en 281.
9.Zie ook art. 37 lid 1 Verdrag Pro van Wenen inzake diplomatiek verkeer: ‘De inwonende gezinsleden van een diplomatieke ambtenaar genieten,
10.Het KB is ingetrokken bij Besluit van 8 februari 1983, Stb. 1983, 74.
11.Zie ook H.A. Ahmad Ali en A.H. Klip, Nationaliteit en uitlevering van Bouterse, NJB 1998, p. 1242.
12.HR 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4242, NJ 1982/137, m.nt. A.H.J. Swart.