Conclusie
( [2] ), gesloten, waarin IHDA de opdracht op zich neemt om een tanker voor de binnenvaart te laten bouwen voor een contractprijs van € 8.650.000,-, die in termijnen zal worden voldaan. Het casco, zo vermeldt het contract, zal in China worden gebouwd, terwijl de afbouw in Nederland onder verantwoordelijkheid van IHDA zal plaatsvinden.
( [3] )De akte is op 19 september 2009 geregistreerd. Tot de door IHDA aan de Bank in stil pand gegeven vorderingen horen
“de vordering(en) en rechten welke de Pandgever nu of te eniger tijd heeft of zal verkrijgen uit hoofde van het bouwcontract voor de bouw van een Eco-binnenvaarttanker van 135 x 14.15 x 6.17, d. d. 18-12-2007, zoals aangevuld of gewijzigd van tijd tot tijd, gesloten met V.O.F. Amulet ten bedrage van EUR 8.650.000,“.
( [4] )Op blz. 1 van de akte staat onder meer opgetekend:
“dat hetgeen in november 2009 nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft teweeggebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen Amulet en IHDA, dat vanaf november 2009 sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW Pro dan voordien.”In het dictum vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en geeft een verklaring voor recht die erop neerkomt dat het pandrecht van ABN Amro niet rust op de vordering van IDHA op Amulet, waarop UBO rechtsgeldig en doeltreffend conservatoir derdenbeslag heeft gelegd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Een pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, (…) kan ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.”Hierna volgen eerst enige opmerkingen van meer algemene aard in verband met deze bepaling.
( [5] )Elders wordt als ratio achter de passage ook nog vermeld “de behoefte om tegen zekerheid van toekomstige goederen over een langere periode krediet te kunnen verkrijgen zonder dat dit de bedrijfsvoering van de schuldenaar te veel aan banden legt. De bedoeling is de kredietgever een verhaalsmogelijkheid te geven op wat te zijner tijd – op het moment dat verhaal nodig blijkt – aan goederen voorhanden is. (…) Het verhaal kan immers plaatsvinden op de inmiddels gevormde nieuwe voorraad, de nieuwe machines, de nieuwe vorderingen.”
( [6] )
( [7] )Of het betrokken (vorderings)recht op naam al bestaat of nog moet ontstaan zal in belangrijke mate hiervan afhangen of er tussen de betrokken partijen al een verbintenis bestaat waaraan de ene partij jegens de andere partij aanstonds een recht op een presteren (geven, doen of laten) van die andere partij ontleend. Aan het aannemen van een dergelijke verbintenis staat niet reeds in de weg dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde of termijn is verbonden. Er is ook dan al sprake van een verbintenis waaruit een (vorderings)recht tegenover een ander voortvloeit, maar de werking van de verbintenis is in die zin opgeschort dat het recht nog niet is uit te oefenen (artikelen 6:21 en 22 BW). Het (vorderings)recht bestaat wel maar is dan nog niet opeisbaar.
( [8] )Het kan echter ook zo zijn dat tussen partijen wel al een rechtsverhouding bestaat maar dat toch nog meer gebeurtenissen dienen plaats te vinden, voordat een gebondenheid jegens elkaar kan worden aangenomen in een mate dat gezegd kan worden dat de ene partij tegenover de ander een (al dan niet aanstonds uit te oefenen) (vorderings)recht heeft. Voordat die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, is er nog slechts sprake van een toekomstig (vorderings)recht. Hier valt onder meer te denken aan de gevallen waarin een partij nog nader blijk dient te geven van zijn wil om tot iets gerechtigd te geraken of om zich jegens de ander te binden.
( [9] )Als toekomstig (vorderings)recht is ook aangemerkt het recht op huurtermijnen met betrekking tot in het kader van en bestaande huur/verhuurrelatie nog te verschaffen huurgenot.
( [10] )
( [11] )
“Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contractnummer 601 buiten werking te stellenindien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van doen hebben”(onderstreping toegevoegd – AG). In hetgeen het hof op blz. 5 onderaan en blz. 6 bovenaan van zijn arrest overweegt, is een bevestiging en zeker niet een verwerping van het vorenstaande te vinden.