Conclusie
1.Voorgeschiedenis
( [1] )De Curatoren en DK/DB hebben afzonderlijk verweer gevoerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
certificatesen
warrantshadden er (…) alle belang bij om de door LBF ingediende claim “goed tegen het licht te kunnen houden”, zeker nu er ook tussen curatoren en LBF omtrent de aard en omvang van de LBF claim een impasse was ontstaan en curatoren overwogen die claim bij gebreke van een regeling te betwisten met alle gevolgen voor de (timing van tussentijdse) uitdelingen door de LBS-boedel van dien.
certificatesen
warrantsspeelden, is curatoren al vrijwel vanaf het begin van het faillissement gebleken. Het betreft hier met name de groep van
sophisticatedbeleggers/investeerders (banken en hedge funds) met wie curatoren over de jaren meerdere malen per jaar in gesprek zijn geweest omtrent de stand van zaken in het faillissement. Voor curatoren was het dan ook al snel duidelijk, dat er voor deze groep van LBS crediteuren een zo transparant mogelijke procedure voor de verificatie van de LBF-claim moest komen. Mede daarom vonden curatoren het in dat kader ook goed, indien juist iemand uit deze groep van LBS-crediteuren de taak op zich zou nemen om naast curatoren (de aard en omvang van) de LBF claim op zijn juistheid te verifiëren. Bijkomend voordeel zou dan ook nog zijn, dat een door zo’n betrokken crediteur uitgevoerde verificatie een op die basis afgegeven akkoord op de LBF claim een positieve weerslag zou hebben op de houding van de overige houders van LBS
certificatesen
warrantsten opzichte van (de acceptatie van) de LBF claim. Met het oog op de niet onaanzienlijke kans op betwisting met alle risico’s en gevolgen van dien had ook LBF dus bij zo’n verificatie een eminent belang.
expenses for the Advisors (as defined in the LBS creditors’committee rules) (…)en mijn verzoek aan u van 8 november 2012 (…) gezien worden.”
( [2] )
“Tenzij uit de wet anders voortvloeit, legt de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag, die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze en volgende afdelingen zijn komen vast te staan.Voor een beroep op strijd van de bestreden beschikking van de rechter-commissaris met artikel 128 WBRvC Pro lijkt echter geen ruimte te zijn. Dat artikel is opgenomen in afdeling 4 van titel 2 van boek 1 WBRvC. Omtrent deze afdeling 4 is in artikel 429j WBRvC – opgenomen in boek 1, titel 10: ‘De rechtspleging in zaken waarin een beschikking wordt gegeven’ – bepaald dat zij van overeenkomstige toepassing is, tenzij de aard van de procedure zich hiertegen verzet. In artikel 270 lid 2 CFb Pro is evenwel bepaald:
“Boek 1, Titel 10 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing op verzoeken ingevolge deze landsverordening.”( [3] )( [4] )
( [5] )Zo hoeven verzoekers niet in de gelegenheid te worden gesteld om op het verweerschrift van de curator te reageren.
( [6] )Ook met deze eigen aard van de procedure naar aanleiding van een verzoek als in artikel 65 CFb Pro strookt het niet om de rechter-commissaris bij zijn beslissing op het verzoek gebonden te achten om (strikt) toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 128 lid 1 WBRvC Pro en aan het beginsel van hoor en wederhoor.
subonderdeel 2.1wordt erover geklaagd dat onjuist en/of onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is het oordeel in rov. 6 dat de in de declaratie van 13 maart 2013, sub A. en C., genoemde kosten vallen onder de kosten waarvan DK/DB uit de faillissementsboedel een vergoeding kunnen vorderen, voor zover dat oordeel stoelt op de in rov. 6 genoemde omstandigheden:
subonderdeel 2.2wordt erover geklaagd dat de rechter-commissaris bij zijn eindoordeel omtrent de declaratie van 13 maart 2013 sub A. en C. ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de in rov. 1 vermelde omstandigheid dat de voorlopige commissie uit de schuldeisers niet zo zeer de curatoren heeft geadviseerd, als wel heeft gediend als forum waarbinnen over de wijze van waardering en over onderzoek naar de gegrondheid van de vordering van LBF is gesproken en uiteindelijk ook overeenstemming is bereikt, en de in rov. 6 genoemde omstandigheid dat het overleg in de vergadering van crediteuren voornamelijk heeft gediend om over de verificatie van de vordering van LBF van gedachten te wisselen en uiteindelijk tot overeenstemming te komen. Een en ander is, zo wordt betoogd, niet gesteld, zodat ook hier sprake is van schending van art. 128 RvC Pro en LBF er bij gebreke van een kenbare stelling van de Curatoren en DK/DB niet op bedacht hoefde te zijn dat de rechter-commissaris zijn oordeel (mede) zou baseren op de ambtshalve door de rechter-commissaris aangebrachte veronderstelling dat de (voorlopige) crediteurencommissie tot doel had en heeft gefungeerd als forum om te komen tot overeenstemming over de verificatie van de vordering van LBF.
( [7] )
subonderdeel 2.3wordt nog nader bestreden de passage in rov. 6 dat ‘het overleg in de vergadering van crediteuren voornamelijk heeft gediend om (…) uiteindelijk tot wilsovereenstemming te komen’. Die passage wordt onbegrijpelijk geacht in het licht van een aantal in het subonderdeel vermelde stellingen van LBF. Uit die stellingen, zo wordt betoogd, volgt dat de crediteurencommissie niet diende om overeenstemming te bereiken over de verificatie van de vordering van LBF, althans dat de schikking waarmee de door de rechter-commissaris in rov. 1 en 6 bedoelde impasse is doorbroken, niet het resultaat is geweest van enige in de crediteurencommissie bereikte overeenstemming en/of dat die schikking niet afhankelijk was van enige in die commissie bereikte overeenstemming.
“Op verzoek van LBF is toen een voorlopige commissie uit de schuldeisers benoemd. Tot dan toe was daaraan geen behoefte geweest. Die commissie heeft dan ook niet zozeer de curatoren geadviseerd, als wel gediend als forum waarbinnen over de wijze van waardering en over onderzoek naar gegrondheid van de vordering van LBF is gesproken en uiteindelijk ook overeenstemming is bereikt.”Op deze passage grijpt, naar het voorkomt, de rechter-commissaris in rov. 6 terug. Het gaat daar dus over het bereiken van overeenstemming binnen de commissie van schuldeisers over de wijze van waardering en over onderzoek naar de gegrondheid van de vordering van LBF.