Conclusie
eerste middel, in samenhang met de toelichting gelezen, houdt in dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat verzoeker hennepplanten aanwezig heeft gehad, omdat het arrest tegenstrijdig is voor wat betreft de vraag of verzoeker al dan niet aanwezig is geweest bij de loods waar de planten zijn aangetroffen aangezien het Hof enerzijds heeft overwogen dat er geen bewijs is voor de frequente aanwezigheid van verzoeker in of in de nabijheid van het pand en het anderzijds heeft overwogen dat verzoeker regelmatig in het pand is geweest.
als verklaring van verdachte:
Ik kreeg iedere maand, op de eerste van de maand een enveloppe door mijn brievenbus met daarin het bedrag van € 5000,-. Dit geld was bestemd om de huur te betalen. Ik stortte dit geld eerst op mijn eigen rekening en daarna maakte ik het over op de rekening van de verhuurder.
als relaas van verbalisanten:
"Ik ben woonachtig op de [a-straat 2] te Amsterdam. Deze woning is pal tegenover het pand [a-straat 1] te Amsterdam gelegen. Ik zie hier regelmatig twee personen het pand in- en uitgaan.
“Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat verdachte in verwijtbare mate onzorgvuldig heeft gehandeld en in rechtens relevante mate schuld heeft aan het op 17 maart 2011 in Amsterdam aanwezig hebben van een hennepkwekerij.”
tweede middelklaagt dat het Hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan het wettelijk toegestane strafmaximum en dat de strafmotivering onbegrijpelijk is.
opzettelijk" is opgenomen, terwijl de als meer subsidiair tenlastegelegde schuldvariant van "
handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” is bewezenverklaard”. Omdat het volgens het Hof een omissie betreft die zich voor eenvoudig herstel leent, is het tot een herstelarrest gekomen.
“Oplegging van straf en/of maatregel
BESLISSING
in plaats vaneen dergelijke gevangenisstraf een werkstraf op te leggen, en wel een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, duidt erop dat de strafoplegging is afgestemd op de opzettelijke variant. Te meer nu het Hof daarbij heeft gelet op de door de politierechter opgelegde werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis [2] en de door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, en het er rekening mee heeft gehouden dat verzoeker blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 8 oktober 2012 niet eerder wegens Opiumwetfeiten is veroordeeld, maar niettemin gelet op de omvang en professionele opzet van de aangetroffen kwekerij tot een hogere strafoplegging is gekomen. En tot slot merk ik op dat als de straftoemeting wel zou zijn gegrond op art. 11, eerste lid, Opiumwet in verbinding met art. 9, tweede lid, Sr, sprake is van de wonderlijke situatie dat de vervangende hechtenis van 60 uren die het Hof subsidiair aan de 120 uren taakstraf heeft verbonden, hoger is dan het maximum van een maand dat art. 11, eerste lid, Ow aan de hechtenis als hoofdstraf verbindt (zulks terwijl art. 22d Sr zich er niet tegen zou hebben verzet wanneer het Hof 30 dagen vervangende hechtenis had verbonden aan de 120 uren taakstraf). [3]