Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] )Toen in der minne geen overeenstemming kon worden bereikt, is overeengekomen het geschil bij arbitrage op te lossen. Van de arbitrage-overeenkomst luidt artikel 2.4: “(…) Partijen dragen de arbiter op te bepalen of het voorstel van De Key redelijk is. Indien de arbiter oordeelt dat het voorstel van De Key niet redelijk is, stelt de arbiter bindend vast wat wel een redelijk voorstel is.” In artikel 2.8 van de arbitrageovereenkomst is opgenomen dat van het arbitraal vonnis geen hoger beroep mogelijk is.
( [3] )
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“[eiser] heeft het ene(vernietiging)
noch het andere middel(herroeping)
ingesteld, zodat hij nog immer aan het arbitraal vonnis is gebonden.”Dit laatste betwist [eiser] ook niet. In de hierna te bespreken Motiveringsklacht spreekt [eiser] ook uit aan het arbitrale vonnis gebonden te zijn.
“Voor het geval u rechter oordeelt dat De Key niet gehouden is de genoemde werkzaamheden te realiseren maar wel aansprakelijk (is) voor de schade die [eiser] door de eigenmachtig aangebrachte veranderingen in het gehuurde lijdt, gedaagde te veroordelen de schade die [eiser] lijdt te vergoeden, op te maken bij staat.”Voor het instellen van de subsidiaire vordering geeft [eiser] in § 21 van de dagvaarding in eerste aanleg de volgende reden:
“[eiser] wil geen compensatie maar nakoming van de renovatie overeenkomst, nu de afwijkingen ervan zich niet laten compenseren door huuraanpassing. Mocht u rechter enig moment van mening zijn dat nakoming niet meer mogelijk is dan zal [eiser] alternatieven dienen te bekijken en mogelijk de huur dienen te beëindigen. [eiser] is van mening dat in dat geval De Key aansprakelijk is voor zijn schade hieruit volgend en wenst [eiser] zijn schade op te maken bij staat als gevolg van de schending van de renovatie afspraken op De Key te verhalen.”
“Het hof laat na uit te leggen waarom de subsidiaire vordering deugdelijke grondslag ontbeert.”Indien op zichzelf genomen, mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof geeft wel een ‘uitleg’. De subsidiaire vordering acht het hof blijkens hetgeen het hof aan het slot van rov. 2.6 overweegt niet toewijsbaar, omdat niet is gebleken dat De Key jegens [eiser] is tekort geschoten of onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Tot dit laatste concludeert het hof
“in het licht van het voorgaande”.Daarmee grijpt het hof terug op hetgeen het voordien overweegt omtrent het door [eiser] primair gevorderde. Dat komt - kort gezegd - hierop neer dat het arbitrale vonnis geen aanknopingspunt biedt voor een gehoudenheid van De Key om het gehuurde terug te brengen in de staat van vóór de renovatie en daarmee ook niet voor een gehoudenheid van De Key om enige in verband daarmee specifiek genoemde werkzaamheden uit te voeren en om vergoedingen te betalen, zolang die werkzaamheden niet zijn uitgevoerd.
“het hof zonder daarvoor een voldoende en begrijpelijke grond aan te geven een verbinding legt tussen de afwijzing van de eerste en tweede primaire vordering en de subsidiaire vordering.” Uit hetgeen daarop in § 19 volgt, valt af te leiden dat hiermee wordt bedoeld dat met het niet toewijsbaar achten van de eerste en tweede primaire vordering niet voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom De Key niet jegens [eiser] tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld.
“De door [eiser] gevorderde schade kan bezwaarlijk anders worden geduid dan als het gevolg van de niet-nakoming door De Key van het arbitraal vonnis, waarbij de arbiter als uitgangspunt heeft genomen dat de bedrijfsruimte qua plaats en functie hetzelfde zou blijven. Voor [eiser] is het een zeer gerechtvaardigde verwachting dat zijn winkel na de renovatie weer geschikt zou worden gemaakt voor het hervatten van zijn bedrijfsactiviteiten als juwelier, zoals die reeds sinds 1957 eerst door zijn vader en nadien door [eiser] zelf worden verricht.”Aan het slot van § 20 wordt als klacht aangevoerd:
“In het licht van artikel 25 Rv Pro. is het oordeel tot afwijzing van de subsidiaire vordering onjuist althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.”