Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eersteklacht betoogt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 6 tot uitgangspunt heeft genomen dat alleen voorrang naar Nederlands recht (op grond van hypotheek, pand, voorrecht of een andere in de Nederlandse wet aangegeven grond) kan leiden tot voorrang in de zin van art. 203 Fw Pro. Volgens de klacht doet de omstandigheid dat Nederlands recht en art. 203 Fw Pro beslissend is niet eraan af dat (ook) sprake kan zijn van voorrang in de zin van art. 203 Fw Pro indien buitenlands recht de schuldeiser voorrang geeft boven concurrente schuldeisers. De
derdeklacht bouwt hierop voort door te betogen dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof bij zijn oordeel dat uit de stellingen van Seacastle niet blijkt dat de ‘priority’ die het RBA in het leven roept, niet de vorm/inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek, tot uitgangspunt heeft genomen dat buitenlands recht alleen voorrang in de zin van art. 203 Fw Pro kan opleveren indien de voorrang naar buitenlands recht de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht. De
tweedeklacht behelst een motiveringsklacht en betoogt dat de enkele constatering van het hof in rov. 6 dat het RBA een beslagmaatregel is, onvoldoende is om de conclusie te dragen dat het RBA niet tot voorrang op grond van art. 203 Fw Pro kan leiden.
tweedeklacht behelst een motiveringsklacht en betoogt dat de enkele constatering van het hof in rov. 6 van het bestreden arrest dat het RBA een beslagmaatregel is, onvoldoende is om de conclusie te dragen dat het RBA niet tot voorrang op grond van art. 203 Fw Pro kan leiden, temeer daar door Seacastle in feitelijke aanleg is aangevoerd dat de prioriteitsregel die voortvloeit uit het RBA qua voorrang afwijkt van het Nederlandse beslagrecht. De motiveringsklacht faalt, omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is tegen de achtergrond van hetgeen Seacastle in feitelijke instanties heeft aangevoerd over het RBA [12] , namelijk dat de voorrangspositie in het leven is geroepen door het leggen van het beslag terwijl slechts in het kader van dat beslag is gesteld dat de onderhavige overeenkomst tussen EWL en Seacastle een maritieme overeenkomst is. [13] Voor het overige bouwt de tweede klacht voort op de eerste en derde klacht en moet zij het lot daarvan delen.