ECLI:NL:PHR:2014:330
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzet tegen uitdelingslijst bij vereenvoudigde faillissementsafwikkeling en beroep op voorrang
In deze zaak stond centraal de vraag of een schuldeiser bij verzet tegen de uitdelingslijst in een vereenvoudigde faillissementsprocedure alsnog een beroep kan doen op een recht van voorrang dat hij bij de indiening van zijn vordering niet heeft ingeroepen. De schuldeiser had een vordering ingediend zonder beroep op voorrang en stelde dit pas later in het verzet tegen de uitdelingslijst. De rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk, omdat de wetgever volgens haar geen onderscheid heeft gemaakt tussen het verzet ex artikel 184 Fw Pro en artikel 137e Fw.
De Hoge Raad bevestigde dat de tekst van beide artikelen vrijwel gelijk is, maar erkende dat bij vereenvoudigde afwikkeling geen verificatievergadering plaatsvindt en dus geen proces-verbaal met kracht van gewijsde wordt opgemaakt. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat het verzet ex artikel 137e Fw er niet toe kan strekken alsnog een beroep op voorrang te doen waarop eerder geen beroep is gedaan, mede gelet op de jurisprudentie die dit bij artikel 184 Fw Pro uitsluit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het verzet ex artikel 137e Fw juist wél kan worden aangewend om een beroep op voorrang alsnog aan de orde te stellen, omdat de vereenvoudigde procedure geen verificatievergadering kent en de bescherming van schuldeisers naar het verzet is verplaatst. De Hoge Raad vernietigde het bestreden oordeel en verwees de zaak terug voor heroverweging, waarbij het belang van de schuldeiser bij het cassatieberoep werd erkend.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitdelingslijst is niet ontvankelijk omdat niet eerder een beroep op het recht van voorrang is gedaan.