Conclusie
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed, meer in het bijzonder dat verzoeker meermalen het telen van hennep heeft medegepleegd. [1] Het
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van dit feit slechts steunt op de verklaring van één getuige. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
tweede middelklaagt dat het Hof art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft geschonden door niet te reageren op de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, inhoudende dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 7] [2] onvoldoende duidelijk en betrouwbaar zijn om te kunnen worden gebezigd tot het bewijs van de feiten 1 en 3.
vierde middeltot slot klaagt over de schending van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 19 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 24 oktober 2013. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met ruim twee maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dat brengt met zich dat dit middel slaagt.