ECLI:NL:PHR:2014:28

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2014
Publicatiedatum
30 januari 2014
Zaaknummer
13/04961
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late klacht in projectontwikkelingsgeschil

In deze zaak betreft het een geschil over een projectontwikkeling waarbij eiser klachten had over gebreken in de prestatie van verweerders. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat eiser pas in februari 2009 concreet klaagde, terwijl de gebreken hem al eerder bekend hadden kunnen zijn, namelijk eind 2005 tot april 2008.

Het hof achtte de klacht te laat vanwege onder meer het tijdsverloop, de kennis die eiser als oud-aannemer geacht mocht worden te hebben, zijn overname van ontwikkelingsrechten en het feit dat hij regelmatig contact met verweerders had. Door het late klagen konden verweerders hun schade niet beperken.

Eiser stelde in cassatie dat hij eerder had geklaagd en verweerders hem hadden gerustgesteld, maar deze klachten werden door de Hoge Raad niet ontvankelijk verklaard omdat zij feitelijk niet konden leiden tot cassatie. Het hof had een begrijpelijk oordeel gegeven, ook gelet op de omstandigheden en de risico-overname door eiser.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 80a RO, waarmee de afwijzing van de vordering door het hof stand houdt.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late klacht, waardoor de vordering van eiser is afgewezen.

Conclusie

Rolnr. 13/04961
Mr M.H. Wissink
Zitting van 24 januari 2014
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
tegen
1.
[verweerder 1],wonende te [woonplaats],
2.
[verweerder 2],wonende te [woonplaats],
3.
[verweerster 3],gevestigd te [vestigingsplaats],
verweerders in cassatie,
1. Het bij dagvaarding van 25 september 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2013. Daarin heeft het hof geoordeeld dat [eiser] te laat heeft geklaagd over de gestelde gebreken in de prestatie van gedaagden (hierna tezamen [verweerders]), zodat zijn op toerekenbare tekortkoming gegronde vordering reeds om die reden dient te worden afgewezen.
2. De zaak betreft een projectontwikkeling. Het hof heeft in rov. 4.7 en 4.8 geoordeeld dat [eiser] eerst bij e-mail van 26 februari 2009 voldoende concreet heeft geklaagd over gestelde gebreken die hem reeds bekend hadden kunnen zijn op de volgende momenten: eind 2005 (het plan zou niet in 2005 gerealiseerd worden), september 2006 (het plan was geen definitief ontwikkelingsplan met vaststaande financiële kosten en planologische aspecten), in 2007 (bekendheid met de sterk oplopende rentelasten) en maart/april 2008 (een veel lager netto kaveloppervlak).
3. Naar het oordeel van het hof in rov. 4.8 is te laat geklaagd. Naast (1) het tijdsverloop neemt het hof daarbij in aanmerking: (2) dat van [eiser] als oud-aannemer verwacht mocht worden “enige kennis omtrent ontwikkeling van bouwgrond en bestemmingsplannen te hebben”; (3) dat [eiser] de ontwikkelingsrechten ter zake van het perceel van [verweerders] heeft overgenomen en aldus het risico van de ontwikkeling is gaan dragen; (4) dat hij regelmatig contact had met [verweerders] over het project en derhalve alle gelegenheid had om zijn klachten te uiten; (5) dat de gestelde gebreken ten dele (zoals wat betreft de tijdige realisatie) zeer kenbaar waren en (6) dat [verweerders] door het late tijdstip waarop [eiser] heeft geklaagd nadeel heeft geleden, kort gezegd, doordat zij haar schade niet heeft kunnen beperken door het project te verkopen aan twee geïnteresseerde partijen en door de negatieve ontwikkeling van de markt. [eiser] heeft op 1 maart 2009 aangegeven dat hij het project met [verweerders] wilde voltooien, zodat er voor deze juist weer minder reden was om te proberen het project te verkopen.
4. De vier klachten rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Klachten 1 en 2stellen aan de orde dat [eiser] wel eerder dan 26 februari 2009 heeft geklaagd over de oplopende kosten in verband met de exploitatiebijdrage die uiteindelijk € 450.000,- bedroeg (klacht 1) en dat [verweerders] hem ter zake onder meer in de bespreking van 16 mei 2008 heeft gerustgesteld (klacht 2).
De klachten missen feitelijke grondslag voor zover zij veronderstellen (a) dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] zich niet heeft beroepen op de besprekingsverslagen of (b) dat het hof geen kennis heeft genomen van de passages van de gespreksverslagen die door het hof niet in zijn arrest zijn geciteerd.
Voor het overige bepleiten de klachten in essentie een andere feitelijke beoordeling van de zaak waarvoor in cassatie geen plaats is. Het feit dat een ander oordeel denkbaar is, maakt de beoordeling van het hof nog niet onbegrijpelijk.
Het oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de geruststelling waarop klacht 2 doelt. [eiser] was er volgens het hof in september 2006 mee bekend dat er geen definitief ontwikkelingsplan met vaststaande financiële kosten voorlag en droeg het risico van de ontwikkeling. De verklaring van [verweerder 2] tijdens de bespreking van 16 mei 2008 (productie 10 bij conclusie van antwoord, blad 2, midden) hield ook in dat de exploitatiekosten nog niet zeker waren en dat hij geen garantie kon geven. Het hof behoefde op de stellingen van [eiser] op dit punt niet nog afzonderlijk in te gaan.
Klacht 3komt vergeefs op tegen het feitelijk oordeel dat van [eiser] als oud-aannemer verwacht mocht worden “enige kennis omtrent ontwikkeling van bouwgrond en bestemmingsplannen te hebben”. Op zichzelf is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Bovendien weegt het hof deze omstandigheid mee naast een groot aantal andere omstandigheden, die ook zonder de door klacht 3 aangevallen omstandigheid zelfstandig het oordeel van het hof kunnen dragen.
Klacht 4is een veegklacht die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
5. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G