In deze zaak werd verdachte door het hof Arnhem veroordeeld wegens eenvoudige belediging. Tijdens de terechtzitting werd verdachte door de voorzitter beperkt in zijn pleidooi, waarbij hij werd opgedragen zich te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex te spreken. Verdachte voelde zich hierdoor in zijn verdediging beperkt.
De Hoge Raad oordeelt dat verdachte op grond van artikel 311, tweede lid, Sv het recht heeft om te pleiten wat hem in het belang van zijn verdediging dienstig voorkomt. De voorzitter mag slechts ingrijpen bij nodeloze herhalingen of irrelevante betogen, en moet daarbij een belerende methode hanteren zonder dreigementen.
In deze zaak heeft de voorzitter zonder voldoende motivering en zonder eerst te verifiëren of de opmerkingen van verdachte over zijn cortex relevant waren, de verdachte beperkt. Verdachte werd bovendien niet bijgestaan door een raadsman, waardoor hem meer speelruimte had moeten worden gegund.
De Hoge Raad concludeert dat het recht van verdachte op een vrij pleidooi is geschonden en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting waarbij verdachte zijn pleidooi vrij kan voeren binnen de grenzen van het tenlastegelegde.