ECLI:NL:PHR:2014:273

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2014
Publicatiedatum
15 april 2014
Zaaknummer
13/01540
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 272 SvArt. 147 SrArt. 137 SrArt. 266 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking van het pleidooi van verdachte door voorzitter hof niet toegestaan

In deze zaak werd verdachte door het hof Arnhem veroordeeld wegens eenvoudige belediging. Tijdens de terechtzitting werd verdachte door de voorzitter beperkt in zijn pleidooi, waarbij hij werd opgedragen zich te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex te spreken. Verdachte voelde zich hierdoor in zijn verdediging beperkt.

De Hoge Raad oordeelt dat verdachte op grond van artikel 311, tweede lid, Sv het recht heeft om te pleiten wat hem in het belang van zijn verdediging dienstig voorkomt. De voorzitter mag slechts ingrijpen bij nodeloze herhalingen of irrelevante betogen, en moet daarbij een belerende methode hanteren zonder dreigementen.

In deze zaak heeft de voorzitter zonder voldoende motivering en zonder eerst te verifiëren of de opmerkingen van verdachte over zijn cortex relevant waren, de verdachte beperkt. Verdachte werd bovendien niet bijgestaan door een raadsman, waardoor hem meer speelruimte had moeten worden gegund.

De Hoge Raad concludeert dat het recht van verdachte op een vrij pleidooi is geschonden en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting waarbij verdachte zijn pleidooi vrij kan voeren binnen de grenzen van het tenlastegelegde.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onrechtmatige beperking van het pleidooi van verdachte en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

Nr. 13/01540
Mr. T.N.B.M. Spronken
Zitting: 11 maart 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 20 december 2012 door het hof te Arnhem wegens eenvoudige belediging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis en tot een geldboete van € 250,- te vervangen door vijf dagen hechtenis.
Mr. H. Sytema en mr. J.L. Bar, beiden advocaat te ‘s-Gravenhage, hebben namens de verdachte een schriftuur met een middel van cassatie ingediend.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof verdachte ter terechtzitting van 20 december 2012 ‘op ontoelaatbare wijze heeft beperkt in het voeren van zijn verdediging’. In feite klaagt het middel over schending van het recht zijn pleidooi te houden zoals dat de verdachte is toegekend in art. 311, tweede lid, Sv.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 december 2012 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.
Verdachte geeft te kennen dat dit een politiek proces is.
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de relevante stukken van de zaak.
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb de brief van 4 juni 2011 aan [betrokkene] verzonden. Ik vind het kwalificerend wat ik heb geschreven. Ik spreek mij uit over het functioneren van een ambtenaar, een wethouder. Ik heb die bewoordingen gebruikt, gelet op de ernst van de zaak. Het zijn geen prettige woorden die ik heb gebruikt, maar de woorden kwamen mij passend voor. Natuurlijk moeten mensen respectvol met elkaar om gaan, maar dat moet wederzijds gebeuren. [betrokkene] heeft er voor gezorgd dat mij dingen zijn overkomen. Ik ben zeer hardhandig door de politie uit de Arnhemse raadzaal ontvoerd tijdens een openbaar debat. Ik ben diverse keren door negers agressief bejegend. Ik ben hartpatiënt en ik ben tot drie keer toe belaagd door die bende onvolwassen racistische negers en dat heb ik in mijn brief aan [betrokkene] vermeld. Ik kon mij niet verdedigen, want ik stond stijf van de reuma. [betrokkene] faciliteert zaken door zijn politieke opvattingen, en de situatie die daar uit voortkomt, bevalt mij niet. Daarom heb ik deze woorden in mijn brief gebruikt. Door deze aanvallen heb ik volgens de cardioloog een verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ik gebruik ook medicijnen.
[…]
De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De voorzitter geeft verdachte het woord en geeft daarbij aan dat hij zich dient te beperken tot een betoog wat ziet op deze zaak.
De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:
Eén van de daders heeft mij als dader aangewezen en ik wordt vervolgd. Waarom sta ik hier en niet u? Van een slachtoffer wordt een dader gemaakt. Wij zijn allemaal geconditioneerd. Wij zijn elk een eigen entiteit. Ik ook, u heeft met mijn cortex te maken.
De voorzitter geeft te kennen dat verdachte terzake dient te komen en geen betoog dient te houden over zijn cortex.
De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:
Ik kan mij niet anders verdedigen dan door dit betoog te houden. Het klopt wat ik heb geschreven. Dit is een politiek proces, dat onderdeel uitmaakt van koehandel. Artikel 147 Sr Pro staat op de nominatielijst om op de schroothoop te belanden. Artikel 137 Sr Pro is door Wilders als achterlijk gekwalificeerd. Artikel 266 Sr Pro laat uitdrukkelijk het kwalificeren van functionarissen in zijn/haar ambt open. Ik ben niet strafbaar. Ik kan mij niet adequaat verdedigen. Ik spreek verder over mijn cortex.
De voorzitter geeft te kennen dat verdachte zijn pleidooi dient te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex.
De verdachte verklaart zakelijk weergegeven:
Ik voel mij het zwijgen opgelegd.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
Na gehouden beraad, geeft de bode te kennen dat verdachte tussentijds de zaal heeft verlaten en dat hij niet wenst terug te keren voor de uitspraak van het arrest.’
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan verder niet worden afgeleid wat verdachte met ‘cortex’ heeft bedoeld, evenmin dat hem door de voorzitter naar de betekenis hiervan is gevraagd.
6. Bij de beoordeling van het middel moet op grond van rechtspraak van de Hoge Raad voorop worden gesteld dat de verdachte die op grond van art. 311, tweede lid, Sv het woord voert, in beginsel het recht heeft daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek. [1]
7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt dat de voorzitter van het hof verdachte al voordat hij de gelegenheid krijgt het woord te voeren als bedoeld in art. 311 lid 2 Sv Pro, heeft opgedragen zich te beperken tot een betoog dat ziet op de zaak. Gelet op hetgeen de verdachte al had aangevoerd, zoals dat blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, is dat niet onbegrijpelijk. Het optreden van de voorzitter zou in de woorden van Remmelink gerangschikt kunnen worden als de ‘belerende methode’ nu de voorzitter daarbij geen ‘dreigementen’ heeft gebruikt. Met betrekking tot het recht op het laatste woord, dat wat de vrijheid voor de verdachte betreft vergelijkbaar is met het recht van de verdachte zijn eigen pleidooi te houden, schreef Remmelink onder meer:
‘Wel zal de president de verdachte op een gegeven ogenblik mogen voorhouden, dat hij in herhaling vervalt, dan wel dat hij het thema van de strafzaak aan het verlaten is. Het gestelde moet potentieel van belang voor de beslissing over de strafzaak zijn. […] De president zal daarbij evenwel niet (van meet af) dreigementen dienen te gebruiken, maar in ieder geval aanvankelijk een belerende methode dienen toe te passen.’ [2]
8. In deze zaak is het de vraag of het hof de verdachte mocht verbieden over zijn cortex te spreken en daarmee zijn vrijheid van pleidooi in te perken. Voordat ik hierop inga, zal ik eerst nog iets uitgebreider het toetsingskader bespreken, waarbij ik wil opmerken dat de Nederlandse rechtspraak hierover tamelijk beperkt is en het daarbij ook meestal gaat over situaties waarin de raadsman van de verdachte beperkingen worden opgelegd. [3]
9. De voorzitter heeft in het kader van de hem in art. 272, eerste lid, Sv opgedragen taak het onderzoek ter terechtzitting te leiden de bevoegdheid om de verdachte het woord ontnemen. Dat kan bijvoorbeeld als de verdachte in ‘nodeloze herhalingen’ vervalt. [4] Van Kempen schrijft hierover dat:
‘verdachte en raadsman in hun betoog kunnen worden beperkt voor zover ze nodeloos in herhaling vervallen of daarin kwesties aansnijden die met de zaak niets van doen hebben. […] In een evident geval daarvan mag de voorzitter krachtens art. 272 Sv Pro in het belang van de orde op de zitting ingrijpen, door de verdediging (gemotiveerd) te vermanen, nog eens te vermanen en uiteindelijk eventueel – als ultieme sanctie – door het betoog af te kappen. […] Maar zolang de verdediging niet in herhaling valt en evenmin buiten de zaak treedt, is er in beginsel geen plaats voor beperking van de spreektijd van de verdediging door de rechter.’ [5]
10. Ook aan een oordeel dat de verdachte (of zijn raadsman) in herhaling vervalt of bepaalde onderwerpen niet mag aansnijden, worden strenge eisen gesteld. In het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2009 had het hof de raadsvrouw in haar pleidooi beperkt door te bepalen dat zij alleen mocht spreken over de toerekeningsvatbaarheid en de detentieongeschiktheid van de verdachte. De Hoge Raad vernietigde het arrest en overwoog daarbij dat het hof bij zijn beslissing om de raadsvrouw te beperken in haar pleidooi kennelijk is uitgegaan van de veronderstelling dat de pleitnota ‘slechts een nodeloze herhaling’ bevatte. Alvorens die beslissing te nemen, had het hof ‘de juistheid van die vooronderstelling dienen te verifiëren.’ [6] Hieruit valt op te maken dat de zittingsrechter niet te snel of op voorhand mag aannemen dat sprake is van nodeloze herhaling of irrelevante betogen.
11. Verder ben ik van mening dat bij de beoordeling van de vrijheid die bij het houden van het pleidooi moet worden toegekend, ook een rol speelt of de verdachte al dan niet door een raadsman wordt bijgestaan. Met een verdachte, die niet is ingevoerd in de gebruiken van de rechtszaal, moet mijns inziens ter zitting wat soepeler worden omgegaan als het om de (juridische) relevantie van zijn betoog gaat. Ook zal de voorzitter iets meer geduld moeten hebben en zijn best moeten doen de verdachte binnen de grenzen te houden, dan in het geval een verdachte van rechtsbijstand is voorzien. De verdachte moet de kans krijgen om binnen de door de voorzitter gestelde grenzen te blijven en niet te snel worden afgekapt.
12. Terugkerend naar de zaak roept de voorgaande beschouwing de vraag op of het oordeel van de voorzitter – dat de verdachte zich niet tot het tenlastegelegde beperkte indien hij over de cortex zou spreken – zonder nadere motivering, die ontbreekt, wel begrijpelijk is. Had het hof niet eerst moeten verifiëren of de vooronderstelling wel juist was dat de verdachte zich met zijn opmerkingen over zijn cortex buiten de orde van de zitting begaf? Hierbij is van belang dat verdachte in de brief, waarin hij zich beledigend zou hebben uitgelaten, de wethouder verwijt verantwoordelijk te zijn voor de hartproblemen die hij ervaart. Zou verdachte met zijn opmerkingen over de cortex niet iets hebben willen zeggen over de hartproblemen die hij opwerpt in de beledigende brief?
13. De brief, zoals deze ten laste is gelegd, houdt het volgende in:

‘LAFFE RAT!

In een tijdsbestek van twee jaar heb ik vier keer een ongevraagde agressieve confrontatie met jouw zwarte favorieten gehad. Twee daarvan waren zeer bedreigend. De eerste op 29 april 2009 op een door jullie zo geliefd spook fietspad, toen een bende onvolwassen racistische negers mij - hartpatiënt - tot drie keer toe probeerde te lynchen; uiteraard was politie-interventie niet beschikbaar! Op 17 augustus werd ik tijdens werk door een parasiterende racistische ne-ger aangevallen. Op 1 september constateerde mijn cardioloog verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ook van jouw nazi-islamitische vriendjes moest ik mij in het verleden al agressie en ge-weld laten welgevallen. Als jij denkt dat ik mij door jou en trawanten laat promoveren tot slachtvee, dan wil ik jou wel uit de droom helpen. Ik houd jou en trawanten volledig verantwoordelijk voor mijn conditie! Jij bent de vijand! Landverrader! Amoreel zwijn! Vuile haat-zaaier! Ploert!
Dictator! Schoft! Smeerlap! Racist! Blaag!’
14.
Hier hoeft niet te worden vastgesteld wat de verdachte precies met zijn verwijzing naar de ‘cortex’ bedoelde. Maar naar mijn mening had de voorzitter dat wel dienen te vragen om vervolgens te beoordelen in hoeverre hetgeen verdachte naar voren wilde brengen verband hield met de zaak. Dit is in feite ook wat in de toelichting op het middel wordt aangevoerd wanneer daar uiteen wordt gezet dat het hof er geen blijk van heeft gegeven welke betekenis het aan het begrip ‘cortex’ heeft gegeven toen het de verdachte maande daar niet over te spreken en zich tot het tenlastegelegde te beperken.
15.
Bovendien lijkt het erop - maar het proces-verbaal van de zitting is hiervan de enige kenbron - dat de voorzitter de verdachte wel erg kort heeft gehouden nadat hij voor de eerste keer in het kader van het door de verdachte te houden pleidooi de verdachte had gemaand zich tot de zaak te beperken. De verdachte werd niet bijgestaan door een advocaat en zou, zoals ik hiervoor heb bepleit een grotere speelruimte moeten worden gegund waarbij het van de voorzitter mag worden gevergd dat hij meermalen moet proberen de verdachte binnen de toegestane kaders van een pleidooi te houden, voor zover al mocht worden aangenomen dat hij dat niet deed of niet van plan was. Van belang is dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de verdachte zich door het optreden van de voorzitter beperkt achtte in de wijze waarop hij zijn pleidooi kon voeren.
16.
Tot slot blijkt uit het proces-verbaal van de zitting niet dat de verdachte zich heeft misdragen of ontoelaatbare uitingen richting het hof heeft gedaan, die aanleiding zouden kunnen vormen voor een ingrijpende maatregel, die het beperken van de vrijheid van pleidooi toch is.
17.
Gelet op deze omstandigheden ben ik van oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het in art. 311, tweede lid, Sv aan de verdachte toegekende recht zijn pleidooi te houden en dat het hof dit recht van de verdachte niet op de wijze had mogen beperken als het heeft gedaan.
18.
Het middel slaagt.
19.
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij
de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 23 maart 1993, NJ 1993/696 r.o. 5.2.-5.3; HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663 r.o. 2.5.1.
2.J. Remmelink, ‘Het laatste woord van de verdachte’, in A.C. ’t Hart ea. (red.), Strafrecht in balans. Opstellen over strafrecht aangeboden aan A.C. Geurts, Arnhem: Gouda Quint 1983, p. 211 e.v. op p. 221.
3.T. Spronken, Verdediging. Een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in strafzaken, diss. Maastricht, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 254-256.
4.HR 23 maart 1982, NJ 1982, 627 r.o. 8
5.Melai/Groenhuijsen,, art. 311, aant. 5.3.
6.HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663. Zie voor een vergelijkbare casus het in het middel aangehaalde arrest HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251.