ECLI:NL:PHR:2014:267

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2014
Publicatiedatum
9 april 2014
Zaaknummer
13/00727
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij schending redelijke termijn

Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2013. Verzoeker heeft tijdig drie middelen van cassatie ingediend, waaronder klachten over de motivering van het hof met betrekking tot de verklaringen van de aangever en getuigen en de beoordeling van de kans op intreden van de dood.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof in zijn bewijsoverweging uitvoerig is ingegaan op de aangevoerde bezwaren en dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. De klachten over het afwijken van het hof van het onderbouwde standpunt van de verdediging kunnen geen cassatie leiden.

Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat de klacht over schending van de redelijke termijn onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Daarom wordt het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de klacht over schending van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 13/00727
Zitting: 18 maart 2014
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2013. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingezonden.
2. Het
tweede middelklaagt tevergeefs dat het Hof in zijn arrest zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt van de verdediging dat de aangever en de getuigen op essentiële onderdelen niet eensluidend hebben verklaard omtrent het aantal maal dat verzoeker op de aangever zou hebben ingereden, de snelheid waarmee hij zou hebben gereden en tot welke afstand hij de aangever zou hebben genaderd. Het middel is een herhaling van hetgeen door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het Hof is daarop in zijn bewijsoverweging uitvoerig ingegaan. Anders dan de steller van het middel meent, is de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed en is de motivering van het Hof niet onbegrijpelijk. Ook het
derde middelklaagt tevergeefs dat het Hof zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat indien een aanmerkelijke kans wordt aangenomen, deze aanmerkelijke kans niet ziet op het intreden van de dood. Beide middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dat betekent dat het
eerste middel, dat enkel over schending van de redelijke termijn in cassatie klaagt, klaarblijkelijk niet voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG