De verdachte werd door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens het opzettelijk houden en vervoeren van runderen die niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geregistreerd op de juiste locatie. Het hof legde een geldboete op, waarvan de helft voorwaardelijk was, en hield rekening met de financiële draagkracht van de verdachte.
De verdediging stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid had verworpen en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de draagkracht van de verdachte toereikend was voor de opgelegde boete. Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk had beoordeeld of het strafbare gedrag ondanks formele strafbaarheid toelaatbaar was en dit ontkennend had beantwoord. Wel was de motivering omtrent de financiële draagkracht ontoereikend, omdat het hof niet voldoende had onderbouwd waarom het ondanks het negatieve inkomen en de arbeidsongeschiktheid van verdachte tot de opgelegde boete was gekomen. Ook werd de overschrijding van de redelijke termijn erkend.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging, waarbij de financiële situatie van verdachte adequaat moet worden meegewogen. Het overige beroep werd verworpen.