ECLI:NL:PHR:2014:252

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
8 april 2014
Zaaknummer
12/02054
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest inbraakzaak wegens onvoldoende onderzoek betrouwbaarheid medeverdachte

Verdachte werd door het hof Arnhem veroordeeld voor diefstal door braak, waarbij hij samen met een medeverdachte een woning binnendrong en goederen meenam. De veroordeling berustte grotendeels op de verklaringen van de medeverdachte.

De verdediging betoogde dat deze verklaringen niet betrouwbaar waren, onderbouwd met onder meer telefoongegevens die de aanwezigheid van verdachte op de plaats van het misdrijf zouden tegenspreken. Het hof verwierp dit verweer zonder een deugdelijke motivering.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar het gebruik van het telefoonnummer dat aan verdachte werd toegeschreven op het moment van het misdrijf. Hierdoor was de bewijsvoering ontoereikend om de betrouwbaarheid van de medeverdachte te bevestigen.

Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande dossier. De schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij bleef onbesproken.

Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 12/02054
Mr. Machielse
Zitting 21 januari 2014
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 3 april 2012 voor “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een werkstraf van 120 uren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.
2. Mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. [1]
3.1. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte
"op 3 december 2009 te Barneveld tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een geldbedrag van 6.000 euro en een mobiele telefoon en een aantal sleutels en een aantal videobandjes, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijf hebben verschaft door middel van braak (het forceren/vernielen van een ruit en een slot)."
3.2. Het eerste middel houdt in dat de verdediging in hoger beroep op meerdere gronden heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 2] zijn niet consistent en niet geloofwaardig. De advocaat van verdachte heeft dit onderbouwd met verwijzingen naar printgegevens uit mobiele telefoons. De inhoud van de verklaringen van de medeverdachte bevat feitelijke onjuistheden. De toenmalige vriendin van verdachte heeft verklaard dat zij verdachte op 3 december 2009 om ongeveer 18:20 uur op het station Ede-Wageningen heeft getroffen. Niet blijkt dat het telefoonnummer [06-002] op 3 december 2009 hoorde bij de gsm van verdachte. Hetgeen de advocaat heeft betoogd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof kon daarvan slechts afwijken als het in het bijzonder de redenen daarvoor zou opgeven. Zo een nadere motivering ontbreekt.
3.3. Het hof heeft in het verkort arrest in overweging met betrekking tot het bewijs opgenomen. Daarin heeft het hof eerst het betoog van de advocaat van verdachte samengevat en vervolgens overwogen:
"Het hof is van oordeel dat het door en namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen."
3.4. Dat bij de inbraak twee personen betrokken zijn geweest, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Dat [betrokkene 2] als verdachte onmiddellijk is aangehouden en dat de ander wist te ontsnappen, is af te leiden uit bewijsmiddel 4. De betrokkenheid van verdachte bij het misdrijf volgt enkel uit de verklaringen van de medeverdachte die het hof voor het bewijs heeft gebezigd. Bewijsmiddel 8 houdt - aldus de kennelijke uitleg van het hof - in dat verdachte op 20 februari 2009 een telefoonnummer heeft opgegeven, te weten 06-[002] en uit bewijsmiddel 9 is af te leiden dat de telefoon van medeverdachte [betrokkene 2] sms-berichten bevat die aan dat telefoonnummer zijn gerelateerd en die aldus kunnen worden uitgelegd dat degene die van dat nummer gebruik maakte en [betrokkene 2] hebben afgesproken elkaar op 3 december 2009 kort na 17.00 uur te ontmoeten. Maar de advocaat van verdachte heeft in hoger beroep betwist dat verdachte ook op 3 december 2009 nog van dat telefoonnummer gebruik maakte. De gehele beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte is dus afhankelijk van de beantwoording van de vraag of verdachte op 3 december 2009 gebruik maakte van dat telefoonnummer. Als dat niet vaststaat, zijn de gebezigde bewijsmiddelen ontoereikend om het onderbouwd standpunt dat verdachte niet bij deze inbraak betrokken is geweest te weerleggen. De enkele aanname van het hof dat verdachte op 20 februari 2009 dat telefoonnummer gebruikte, is mijns inziens niet voldoende. Het hof had nader onderzoek moeten doen naar de tenaamstelling en het gebruik van het telefoonnummer op of omstreeks 3 december 2009.
De redenen die het hof heeft gegeven voor de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt schieten naar mijn mening tekort. Welke bewijsmiddelen het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt weerleggen, is mij gelet op het bovenstaande niet duidelijk.
Het middel lijkt mij terecht voorgesteld.
4.1. Het tweede middel klaagt dat de inhoud van een aantal gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend is voor de bewezenverklaring. Het gaat de steller van het middel kennelijk om de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 8), de weergave van een aantal sms-berichten in de telefoon van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 9) en het relaas over de frequentie van het telefoonverkeer tussen twee telefoonnummers die de verbalisant kennelijk toeschrijft aan verdachte en het telefoonnummer dat volgens verbalisant aan [betrokkene 2] toekomt (bewijsmiddel 10).
4.2. Bewijsmiddel 8, dat ik aldus opvat dat verdachte op 20 februari 2009 daarin een telefoonnummer van hemzelf heeft opgegeven, is slechts redengevend voor het bewijs wanneer de bewijsmiddelen 9 en 10 dat ook zijn en wanneer men aanneemt dat het telefoonnummer ook nog op of omstreeks 3 december 2009 bij verdachte in gebruik was. Uit bewijsmiddel 10 is slechts af te leiden dat er inderdaad frequent verbinding is gemaakt tussen een telefoonnummer waarvan verdachte op 20 februari 2009 nog gebruik maakte met een telefoonnummer van de medeverdachte, maar de redengevende waarde van bewijsmiddel 10 is naar mijn oordeel slechts zwak, omdat de inhoud van het bewijsmiddel niet is toegespitst op het telefoonverkeer op of kort voor 3 december 2009. Bewijsmiddel 9 is wel redengevend, vooropgesteld dat kan worden aangenomen dat verdachte met de medeverdachte via telefoonnummer [06-002] heeft gecommuniceerd en heeft afgesproken elkaar in Barneveld op 3 december 2009 na 17.00 uur te ontmoeten. Slechts onder die conditie is bewijsmiddel 9 redengevend. Ervan uitgaande dat aan die voorwaarde is voldaan, faalt het middel.
5. Het eerste middel komt mij gegrond voor. Dat heeft tot gevolg dat naar mijn oordeel het bestreden arrest voor vernietiging in aanmerking komt. Ambtshalve heb ik overigens geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Mr. B. Anik, advocaat te Arnhem, heeft een schrijven doen toekomen inhoudende dat de benadeelde partij van mening is dat de schadevergoeding en vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand zoals door het hof toegekend ook nu moeten worden toegewezen. Dit schrijven is aangeduid als schriftuur, maar bevat geen klachten betreffende een rechtspunt dat de vordering van de benadeelde partij betreft. Daarom dient het in cassatie onbesproken te blijven.