Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba had geoordeeld dat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten niet toelaatbaar was vanwege geconstateerde gebreken bij de bewijsverkrijging, waaronder het ontbreken van lokale betrokkenheid bij bijzondere opsporingsmethoden en schending van Salduz-waarborgen.
De advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onterecht een oordeel gaf over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging, terwijl de uitleveringsrechter daarover in principe niet mag oordelen, tenzij sprake is van een flagrante schending van fundamentele rechten zonder adequaat rechtsmiddel.
De Hoge Raad constateert dat het Hof de geconstateerde gebreken slechts in samenhang als reden voor ontoelaatbaarheid aanvoerde, maar dat het oordeel over de schending van Salduz-waarborgen juridisch onjuist is. Omdat de cassatieschriftuur onvoldoende rechtsklachten bevat en het dossier onvolledig is, vernietigt de Hoge Raad het advies en wijst de zaak terug aan het Gemeenschappelijk Hof voor hernieuwde beoordeling op basis van het bestaande uitleveringsverzoek.