Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 4 van de bestreden beschikking, waarin het volgende is overwogen:
onderdeel 1(onder 10) wordt betoogd dat de overweging van het hof in rov. 4 dat de deskundige in zijn berekening rekening heeft gehouden met het standpunt van de man rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk, omdat de man van mening was dat er over geheel 2007 werd afgeroomd en niet over de periode tot april 2007. Het onderdeel faalt, omdat het feitelijke grondslag mist. Het onderdeel keert zich niet tegen het door het hof overnemen van de uitgangspunten en de conclusies van het deskundigenrapport. Het hof heeft overwogen dat de deskundige in zijn onderzoek slechts aanwijzingen heeft gevonden voor het afromen van de omzet en dat hij een berekening heeft gemaakt zonder rekening te houden met het afromen van de omzet én een berekening waarin daarmee wel rekening is gehouden. Volgens de deskundige leidt dit laatste niet tot een andere opvatting over de aanwezigheid van goodwill. [3] De rechter is vrij in de waardering van het deskundigenadvies (art. 152 lid 2 Rv Pro). Het oordeel van het hof in rov. 4 is voorts niet onjuist of onbegrijpelijk.