Conclusie
Woningstichting De Voorzorg,
Onderdeel 2is gericht tegen de rov. 7.9-7.10, waarin het hof veronderstellenderwijs uitgaat van het bestaan van een duurovereenkomst en oordeelt over de in hoger beroep voorliggende vraag, of er een geldige reden was voor de beëindiging van de relatie. Het hof vindt die reden, kort gezegd, in het feit dat de vader van een directeur van [eiseres] de directeur en de voorzitter van de RvC van De Voorzorg telefonisch had benaderd met mededelingen van een bepaalde inhoud (welke om de door het hof genoemde redenen voor rekening van [eiseres] komen).
nr. 2.2van de cassatiedagvaarding veronderstelt, stond aan dat oordeel niet in de weg dat het geschil over een factuur, dat volgens [eiseres] de aanleiding was voor de beëindiging door De Voorzorg, al bestond op 10 juni 2008 en de telefoongesprekken eind juni plaatsvonden. De Voorzorg heeft zich immers op het standpunt gesteld dat zij op dat moment geen opdrachten aan [eiseres] verstrekte in afwachting van de oplossing van het geschil over de factuur (conclusie van antwoord nr. 26). Dat impliceert dat zij toen nog geen besluit had genomen over de definitieve beëindiging van de relatie. Het hof is daarvan kennelijk uitgegaan.
Onderdeel 1van het middel ziet op rov. 7.8. Ik bespreek het ten overvloede. Gezien het falen van onderdeel 2 kan dit onderdeel, zelfs als het zou slagen, immers niet meer tot een ander oordeel leiden.
nr. 1.4) handelsrelatie kan bestaan uit een serie losse contracten of een duurovereenkomst en dat aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of sprake is van een duurovereenkomst (
nr. 1.5). Het onderdeel berust echter op een onjuiste rechtsopvatting voor zover het veronderstelt dat een langdurige handelsrelatie steeds het bestaan van een duurovereenkomst impliceert (
nr. 1.2), zodat het hof daarvoor geen bijkomende omstandigheden had mogen verlangen (
nr. 1.5, slot), of dat in verband met de beëindiging ervan steeds dezelfde maatstaf geldt als bij de beëindiging van een duurovereenkomst (
nr. 1.3en
nr. 1.6, eerste deel). Vgl. de conclusie van A-G Rank-Berenschot sub 3.5 voor HR 11 oktober 2013 (art. 81 RO Pro), ECLI:NL:PHR:2013:777.
nr. 1.6 (tweede deel)en
nr. 1.7, voor zover deze al voldoen aan de daaraan te stellen eisen, strekken in wezen tot een herbeoordeling van de feiten en omstandigheden van dit geval, waarvoor in cassatie geen plaats is. Het hof is, mede gezien rov. 4.22 van het vonnis waarnaar wordt verwezen, voldoende gemotiveerd op de door [eiseres] aangevoerde stellingen ingegaan.
nr. 1.8mist feitelijke grondslag, omdat het hof zijn bestreden oordeel kennelijk heeft bereikt uitgaande van de juistheid van de daartoe gestelde feiten zodat bewijs daarvan niet nodig was.