ECLI:NL:PHR:2014:207

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2014
Publicatiedatum
25 maart 2014
Zaaknummer
13/03378
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
  • Aben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak doodslag met mes

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaren wegens doodslag, gepleegd met een mes dat nabij het slachtoffer werd gevonden en waarop bloedsporen van het slachtoffer zijn aangetroffen.

De verdediging stelde in cassatie twee middelen aan: ten eerste dat het hof onterecht het mes als dodelijk wapen had aangemerkt op basis van vezel- en textielonderzoek, en ten tweede dat het hof zonder motivatie was afgeweken van door de verdediging ingenomen standpunten dat een ander de dader zou zijn.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd, niet alleen op basis van vezelonderzoek maar ook op bloedsporen en de plaats van het mes. Daarnaast zijn de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s niet als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten erkend. De middelen falen en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 16 jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/03378
Zitting: 28 januari 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 21 december 2012 de verdachte ter zake van
“doodslag, voorafgegaan, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, op de wijze vermeld in het arrest.
2. Namens de verdachte heeft mr. M.R. Backer, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3. Het
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat [slachtoffer] door het aangetroffen mes om het leven is gebracht, in het bijzonder voor zover het hof zich daarbij heeft gebaseerd op het vezel- en textielonderzoek.
4. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het hof niet enkel op basis van de bevindingen van de vezeldeskundige de conclusie heeft getrokken dat het mes is gebruikt bij het strafbare feit. Het hof heeft weliswaar in zijn overwegingen betrokken dat de vezelsporen op het mes overeenkomen met de vezelsporen van de kleding van [slachtoffer], maar dat het mes is gebruikt bij het strafbare feit heeft het hof onder meer ook gebaseerd op de omstandigheid dat [slachtoffer] door een messteek om het leven is gekomen, het mes zeer nabij zijn lichaam is gevonden, en op dat mes bloedsporen zijn aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van [slachtoffer], het slachtoffer. Onbegrijpelijk is dat oordeel allerminst en gelet op de overige bewijsmiddelen toereikend gemotiveerd.
5. Het middel faalt.
6. Het
tweede middelklaagt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van twee door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
7. Anders dan de steller van het middel betoogt is geen sprake van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De betreffende passages uit de pleitnota betreffen argumenten in het betoog van de verdediging dat niet de verdachte, maar een ander de dader is en vormen onderdeel van (het) door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario(‘s). Het hof heeft zich voor de verwerping daarvan uitdrukkelijk aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank in het vonnis onder punt XII.
8. Het middel faalt.
9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG