Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
aard en hoedanigheideen toedeling verkrijgt die niet in overeenstemming is met haar inbreng.
aarden
hoedanigheidvan inbreng en toedeling als bedoeld in art. 52 lid 1 Wilg Pro. Wat onder een recht van
dezelfde aardin art. 52 lid 1 Wilg Pro wordt verstaan wordt uit de toelichting op het wetsartikel niet duidelijk. Volgens het onderdeel moet aansluiting worden gezocht bij het commentaar op het bijna gelijkluidende art. 139 Landinrichtingswet Pro (hierna: Liw), waaruit kan worden opgemaakt dat daarmee wordt bedoeld het soort recht dat men kan hebben op het tot het blok behorende onroerende goederen. Wat onder het recht van
dezelfde hoedanigheidmoet worden verstaan volgt volgens het onderdeel uit de uitvoeringsregeling behorende bij art. 52 Wilg Pro. In de art. 15-20 van de Regeling inrichting landelijk gebied (hierna: Rilg) wordt dit begrip nader ingevuld. Uit de literatuur volgt volgens het onderdeel dat het bij hoedanigheid en gebruiksbestemming in de eerste plaats gaat om
landbouwkundige kwaliteit en bestemming, en dat het bij de agrarische gebruiksbestemming gaat om de
geschiktheid voor de verschillende vormen van land- en tuinbouw. Dit verklaart volgens het onderdeel dat het bij gelijke aard en hoedanigheid gaat om dezelfde soorten rechten (hier: eigendom) en om gronden die wat betreft de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de
bodem, alsmede de
grondwaterkarakteristiekgelijk zijn. Het onderdeel concludeert dat de rechtbank in de bestreden rechtsoverweging niet, althans niet kenbaar heeft getoetst of de toedeling gronden betreft die voor wat betreft de opbouw, de samenstelling en fysische eigenschappen van de bodem, alsmede de grondwaterkarakteristiek, gelijk zijn aan de inbreng. In plaats daarvan heeft de rechtbank volgens het onderdeel kennelijk (slechts) acht geslagen op de vorm van de kavels en de aanwezigheid van steilranden en/of beplantingen, terwijl deze kenmerken niet (met name) worden genoemd in de betreffende artikelen van de Rilg die definiëren wanneer sprake is van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming.
bodemgeschiktheidskaartmet de vastgestelde ruilklassen wordt gehanteerd. Volgens art. 8 van Pro die algemene bepalingen is sprake van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, wanneer per eigenaar het verschil in bodemgeschiktheid tussen inbreng en toedeling gemiddeld binnen twee klassen blijft. Uit de door [verzoeker] in het geding gebracht uitsnede uit de bodemgeschiktheidskaart en de daarbij behorende legenda blijkt dat de bij de door hen voorgestelde toedeling voor [betrokkene] de gemiddelde bodemgeschiktheidsklasse iets toeneemt, doch in ieder geval binnen twee klassen blijft. De rechtbank heeft aan deze stellingen geen (kenbare) aandacht geschonken. Uit haar oordeel blijkt volgens het onderdeel in elk geval niet dat zij de bodemgeschiktheidsklassen-kaart en/of algemene bepalingen bij haar oordeel heeft betrokken en/of op welke gronden zij tot het oordeel is gekomen dat de gronden (desalniettemin) niet gemiddeld binnen twee klassen blijven, althans voor wat betreft hun opbouw, samenstelling, fysische eigenschappen en grondwaterkarakteristiek niet gelijk zijn. Deze stellingen van [verzoeker] c.s. moeten worden aangemerkt als essentiële stellingen voor de beoordeling of sprake is van gelijke aard en hoedanigheid van de betrokken gronden, zodat het oordeel van de rechtbank niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed. Voor zover de rechtbank deze stellingen van [verzoeker] c.s. wel bij haar oordeelsvorming heeft betrokken, is volgens het onderdeel onvoldoende begrijpelijk waarom zij (toch) tot het impliciete oordeel komt dat geen sprake is van een gelijke aard en hoedanigheid. Dit geldt volgens het onderdeel temeer nu de rechtbank in (de eerste) rov. 4.9 (p. 5) terecht heeft overwogen dat de uitvoeringscommissie niet het standpunt van [verzoeker] c.s. heeft weersproken dat de bodemgeschiktheid geen beletsel voor diens alternatieve toedeling vormt. In het licht van de stellingen van partijen, althans het gebrek aan betwisting door de uitvoeringscommissie dat de bodemgeschiktheid geen beletsel vormt voor de alternatieve toedeling door [verzoeker] c.s., had de rechtbank tot het oordeel moeten komen dat de gronden mede gelet hierop qua bodemgeschiktheid - en dus qua hoedanigheid als bedoeld in art. 52 Wilg Pro en de art. 15-20 Rilg - gelijk zijn. Nu de rechtbank (juist) heeft geoordeeld dat in het door [verzoeker] c.s. voorgestelde alternatief sprake is van gronden die qua aard en hoedanigheid niet in overeenstemming zijn met de inbreng van [betrokkene], is haar oordeel volgens het onderdeel innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
reconstructieplanis een nader
uitwerkingsplangemaakt als bedoeld in art. 18 Rwc Pro, het “Uitwerkingsplan Reconstructie Enter”. Dit uitwerkingsplan is door Provinciale Staten vastgesteld bij besluit van 7 februari 2007 en vervolgens voorzien van de vereiste ministeriële goedkeuring. Uit art. 95 lid 4 Wilg Pro in verbinding met art. 23 Rilg Pro [13] volgt dat een dergelijk
uitwerkingsplangelijk te stellen is met een
inrichtingsplanin de zin van art. 17 Wilg Pro [14] .
inrichtingsplan. Daartoe kan als een van de te treffen maatregelen en voorzieningen een
herverkavelingbehoren, zoals ook in deze zaak. Gedeputeerde Staten stellen voor ieder
blok, dat is het geheel van in een herverkaveling begrepen onroerende zaken volgens art. 1 lid 1 onder Pro g Wilg, onder meer een
ruilplanvast (art. 47 Wilg Pro). Het ruilplan bevat een
lijst van rechthebbendenen een
plan van toedeling(art. 48 Wilg Pro) [16] . De voorwaarden waaraan een plan van toedeling dient te voldoen staan in art. 51 Wilg Pro. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent (o.a.) het ruilplan (art. 63 lid 1 Wilg Pro). Dit amvb is het Besluit van 30 november 2006, houdende wijziging van het Besluit herverkaveling reconstructie concentratiegebieden (nieuwe grondslag Wet inrichting landelijk gebied), Stb. 2006, 243 [17] , - na wijziging van o.a. de citeertitel [18] - thans Besluit inrichting landelijk gebied (hierna: Bilg).
dezelfde aardals hij had op de in een
blokgelegen onroerende zaken. In de memorie van toelichting staat dat net als krachtens de Liw ook onder de Wilg eenieder aanspraak heeft op het verkrijgen van een recht van dezelfde aard als hij voor de herverkaveling had. Een nadere toelichting wordt in de parlementaire geschiedenis niet aangetroffen. Volgens Rodrigues Lopes betekent deze regeling dat een eigenaar een eigendomsrecht verkrijgt en een erfpachter, opstalgerechtigde, beklemde meier en vruchtgebruiker een recht van respectievelijk erfpacht, opstal, beklemming en vruchtgebruik [20] .
gelijke hoedanigheid en gebruikstemmingals door hem is ingebracht (art. 52 lid 3 Wilg Pro). Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over deze gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming (art. 52 lid 4 Wilg Pro). Deze regeling betreft de al genoemde Rilg.
oppervlakte in grondals basis wordt genomen (art. 56 lid 2 Wilg Pro). In beginsel bestaat dan een recht op toedeling van een gelijke oppervlakte als de betrokkene in de herverkaveling heeft ingebracht. In dat verband wordt in de memorie van toelichting gewezen op het feit dat de agrarische en economische waarde van de grond door ontwikkelingen in de landbouwkundige praktijk steeds minder bepaald wordt door bodemkundige factoren, terwijl aan oppervlakte gerelateerde factoren (zoals bijvoorbeeld melkquota) aan belang hebben gewonnen. Overigens geldt blijkens de toelichting dat niettegenstaande het feit dat de oppervlakte de basis is voor korting en toedeling, in beginsel de gronden worden toegedeeld van
gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemmingals zijn ingebracht (art. 52 lid 3 Wilg Pro) [21] .
gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemmingdienen volgens art. 15 Rilg Pro te worden bepaald met inachtneming van de art. 16 tot Pro en met 20 van die regeling [22] . Art. 16 bepaalt Pro de peildatum hiervoor. De
gelijke hoedanigheidwordt bepaald aan de hand van de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen in de bodem tot ten minste een diepte van één meter onder het maaiveld en de grondwaterkarakteristiek (art. 17 Rilg Pro). Deze wordt vastgesteld aan de hand van een bodemkaart, grondwaterkaart of op basis van een advies van deskundigen (art. 17 Rilg Pro). Bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid
blijft buiten beschouwinghet feitelijk gebruik, de verkavelingssituatie, de ontsluitingssituatie, de beheersing van het oppervlaktewaterpeil, de mate van egaliteit van het maaiveld, de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage, overige fysieke elementen die het feitelijk gebruik beïnvloeden en andere dan agrarische kenmerken (art. 18 Rilg Pro). Van de gronden met een gelijke hoedanigheid wordt de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming bepaald (art. 19 Rilg Pro), waarbij een indeling in ten minste drie klassen wordt toegepast (art. 20 Rilg Pro).
Regeling gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemmingdie op de Rwc was gebaseerd en met het vervallen van hoofdstuk 3, titel 6 van deze wet eveneens is vervallen. Ten opzichte van de Regeling gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming [23] zijn maar enkele verwijzingen naar wetsartikelen aangepast en verder de vereisten waaraan de deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Grondwaterkaart van Nederland moeten voldoen [24] . Uitgangspunt bij de beoordeling van de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming is volgens de toelichting een optimale uitruil van de gronden, met inachtneming van de mogelijkheid om de geschiktheid van de grond voor een specifiek agrarisch gebruik met inrichtingsmaatregelen te beïnvloeden [25] . Met het oog op een doelmatige herverkaveling wordt alleen van
uitruilbare grondende gelijke hoedanigheid bepaald (art. 16 lid 2 Wilg Pro). Nu is in het Bilg neergelegd welke gronden uitruilbaar zijn. Fysieke elementen die het gebruik hebben beïnvloed blijven buiten beschouwing, want deze maken geen onderdeel uit van de hoedanigheid van de bodem, aldus nog steeds de toelichting.
2.UITGANGSPUNTEN VOOR EN DOELSTELLINGEN VAN HET RUILPLAN
3.UITGANGSPUNTEN VOOR DE HERVERKAVELING
4.RANDVOORWAARDEN VOOR DE TOEDELING
5.DOOR GEDEPUTEERDE STATEN GENOMEN BESLISSINGEN
het gaat om een rechthoekig stuk grond.
grond op dezelfde locatie, maar met een andere kavelvorm
bodemgeschiktheidvan de gronden uit zowel het plan van toedeling als het door [verzoeker] c.s. voorgestelde alternatief
nietmeer ter discussie stond (iii): de gronden die (kennelijk) tot dezelfde klasse van uitruilbaarheid behoren, hebben dezelfde orde van bodemgeschiktheid, bepaald aan de hand van de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de bodem en de grondwaterkarakteristiek. De gronden zijn dus uitruilbaar in de zin van de Wilg, terwijl gesteld noch gebleken is dat [betrokkene] geen recht van dezelfde aard zou verkrijgen. Vervolgens is aan de hand van de overgelegde (lucht)foto’s en kaartmateriaal tijdens/na de zitting de inbreng van [betrokkene] afgezet tegen de door [verzoeker] c.s. voorgestelde alternatieven en is op basis van die afweging geconcludeerd dat de alternatieven als aanmerkelijk ongunstiger moeten worden aangemerkt (v).
nietart. 52 Wilg Pro toegepast (zij noemt het artikel ook niet in de aangevallen overweging), omdat dat al een gepasseerd station was. Met het
cursiefschrijven van het begrip
aard en hoedanigheidin haar tweede rov. 4.9 heeft de rechtbank, zo begrijp ik, bedoeld aan te sluiten bij de stellingen die door de uitvoeringscommissie in de procedure zijn ingenomen; de rechtsoverweging vangt immers aan met:
De uitvoeringscommissie heeft zich met name op het standpunt gesteld dat de toedeling volgens [verzoeker] c.s. voor [betrokkene] betekent dat zij quaaard en hoedanigheid
een toedeling verkrijgt die niet in overeenstemming is met haar inbreng.Ik geef toe dat dit een minder gelukkige, want tot misverstand aanleiding gevend woordgebruik is, maar als je beziet wat de uitvoeringscommissie daarover bij verweerschrift in eerste aanleg heeft gesteld (en daar refereert de tweede rov. 4.9 aan), wordt het meteen helder. Uit het verweerschrift in eerste aanleg onder 3 blijkt duidelijk dat de uitvoeringscommissie met het gebruik van de term
aard en hoedanigheidin dit verband juist
niethet oog had op art. 52 Wilg Pro:
qua aard en hoedanigheidniet in overeenstemming is met haar inbreng.
Hiermee heeft, zoals moge blijken uit dit besluit, de commissie niet de bodemgeschiktheid op het oog maar zaken als waardevolle beplanting//houtwal en bestaande steilranden. In de in het dossier opgenomen ‘toets kavelaanvaardingswerk inzake [betrokkene]’. Daaruit moge blijken dat alsdan (in het alternatief) aan [betrokkene] gronden worden toegedeeld die van haar bedrijfskavel is gescheiden door een forse, waardevolle houtwal. Daarnaast kent het aan haar toe te delen (niet-ingebrachte) gedeelte een zeer waardevolle beplanting en steilranden. Behalve het feit dat deze waardevolle elementen in stand gelaten dienen te worden en niet middels kavelwerk zijn op te lossen, zouden deze werken ook leiden tot onaanvaardbaar hoge kosten inzake kavelaanvaarding.
aard en hoedanigheid) dat het begrip
aard en hoedanigheidhier
nietziet op de
bodemgeschiktheid(zoals bij een art. 52 Wilg Pro-toets moet gebeuren), maar op zaken als waardevolle beplanting/houtwal en bestaande steilranden (die [betrokkene] in de het voorstel van [verzoeker] c.s. zou moeten aanvaarden op een aantal kavels, terwijl zij volgens het plan van toedeling een goedgevormd rechthoekig kavel zou verkrijgen zonder dergelijke beplanting en/of steilranden). Juist die bodemgeschiktheid is, zo is hiervoor in 2.10 e.v. is uiteengezet, in deze ruilverkaveling (en volgens mij rechtens juist) als maatstaf gehanteerd voor de uitruilbaarheid van gronden van
gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemmingin de zin van art. 52 Wilg Pro en dàt was voor de uitvoeringscommissie bij de beoordeling van de alternatieve voorstellen van [verzoeker] c.s. als gezegd helemaal geen te kraken noot: zowel bij toedeling volgens het plan van toedeling, als volgens de door [verzoeker] c.s. voorgestelde alternatieven was volgens de uitvoeringscommissie sprake van het voldaan zijn aan deze wettelijke eis van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming (waarbij volgens art. 17 Rilg Pro als eerder uiteengezet moet worden geabstraheerd van het feitelijk gebruik, de verkavelingssituatie, de ontsluitingssituatie, de beheersing van het oppervlaktewaterpeil, de mate van egaliteit van het maaiveld, de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage, overige fysieke elementen die het feitelijk gebruik beïnvloeden en andere dan agrarische kenmerken) en dat is blijkens de eerste rov. 4.9 van de gewraakte beschikking niet weersproken en die eerste rov. 4.9 wordt in cassatie verder niet bestreden. Ik kan dan ook niet onderschrijven wat in nr. 25 van de cassatiedagvaarding wordt gesteld over het niet in haar oordeel betrekken van de bodemgeschiktheid door de rechtbank en het niet kenbaar aandacht schenken aan de stellingen daarover van [verzoeker] c.s.; dat is wel degelijk gebeurd in de aldus begrepen eerste rov. 4.9.