ECLI:NL:PHR:2014:1775

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 augustus 2014
Publicatiedatum
25 september 2014
Zaaknummer
13/06103
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Rechters
  • Mr. Hofstee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onvoldoende gronden tegen hofuitspraak

Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 november 2013. Verzoeker heeft tijdig vijf middelen van cassatie ingediend. De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsmiddelen die verzoeker aanvoert geen ongeoorloofde conclusies of gissingen bevatten. Het hof heeft bovendien voldoende gemotiveerd waarom alternatieve scenario's niet worden gevolgd, omdat daarvoor geen aanknopingspunten in het dossier zijn.

Verder is overwogen dat de straf van negen jaar gevangenisstraf, in plaats van tien jaar, mede is gebaseerd op een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Gezien deze omstandigheden kunnen de middelen niet tot cassatie leiden.

De Procureur-Generaal adviseert daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gronden.

Conclusie

Nr. 13/06103
Zitting: 26 augustus 2014
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 november 2013. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende vijf middelen van cassatie ingezonden.
2. Anders dan in het
eerste, het tweede en het derde middelwordt aangevoerd houden de bewijsmiddelen 1, 12 en 13 geen verklaringen in die een ongeoorloofde conclusie/gissing bevatten. Het eerste bewijsmiddel is een feitelijke weergave van een door verzoeker gevoerd telefoongesprek, terwijl de bewijsmiddelen 12 en 13 weergeven wat de getuige Zwart heeft waargenomen.
3. Anders dan het
vierde middelstelt, heeft het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd uiteengezet dat voor de aangedragen alternatieve scenario’s geen enkel uit het dossier blijkend aanknopingspunt is te vinden.
4. Het
vijfde middelis tevergeefs voorgesteld, nu het Hof heeft overwogen dat het mede gelet op de (geringe) overschrijding van de redelijke termijn tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar in plaats van tien jaar is gekomen.
5. Op grond van het voorgaande kunnen de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden en stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG