Conclusie
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring niet kan worden afgeleid uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. In het bijzonder is het oordeel van het hof, dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd, onbegrijpelijk in het licht van de door de verdachte ter terechtzitting geschetste toedracht.
- [slachtoffer] is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam;
- Uit onderzoek van het vest en shirt dat [slachtoffer] droeg is het volgende gebleken: de locaties van een tweetal in de kleding aangetroffen beschadigingen, te weten één in het vest (beschadiging 5 in de voorzijde van de linkermouw) en één in het shirt (beschadiging 1 in de voorzijde van de linkermouw), komen met elkaar overeen. De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand gelijk is aan 0 centimeter (opgezet schot), dan wanneer de schootsafstand groter is dan 0 centimeter.
links zijwaartsaan de borst, een schampschot aan de binnenzijde van de linkerbovenarm, een schotkanaal dwars door de borst, van links naar rechts, met perforatie van de beide longen, het hart en de lever, naar een kogel in de borstspieren rechts zijwaarts zoals door A. Maes voornoemd bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is waargenomen, zich niet laat verklaren door de handelingen die de verdachte naar eigen zeggen heeft verrichten die zakelijk weergegeven er op neerkomen dat de verdachte [slachtoffer] heeft geduwd, daarbij op enig moment (vanuit [slachtoffer] gezien:
rechtsvoor) in de broeksband van [slachtoffer] een vuurwapen voelde, welk vuurwapen bij het vastpakken door de verdachte plotseling zou zijn afgegaan.’
tweede middelklaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer(exces). Het hof zou ten onrechte voorbij zijn gegaan aan het feit sprake was van een wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 1].