Conclusie
middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat aan de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg wordt verbonden.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak ging het om een ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €172.220,00, opgelegd door het Gerechtshof Amsterdam. De procedure duurde ruim zes jaar en zeven maanden vanaf het vonnis van de rechtbank tot het arrest van het hof. Tijdens de behandeling constateerde het hof ambtshalve een schending van artikel 6 EVRM Pro wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof overwoog dat de ontnemingsprocedure een eigen regime kent, verschillend van strafzaken, en dat de lijdensdruk voor de veroordeelde minder zwaar is omdat deze doorgaans weet welk voordeel hij heeft genoten en dat uitstel van betaling hem zelfs kan bevoordelen door rente en inflatie. Bovendien had betrokkene sinds het verkrijgen van het voordeel onbelemmerde beschikking over dit voordeel.
Daarom vond het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn niet tot matiging van het te ontnemen bedrag hoeft te leiden, maar volstaan kan worden met een constatering van de overschrijding. Het hof wees ook op het belang van het rechtsherstel en het voorkomen dat misdaad lonend wordt. Het middel van betrokkene dat matiging zou moeten volgen faalde omdat in hoger beroep geen tijdige klacht over de termijnoverschrijding was ingebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot matiging van het te ontnemen bedrag.