Conclusie
“medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de rechtbank te ’s-Gravenhage en daarmee het gerechtshof te ’s-Gravenhage bevoegd is om ten gronde over deze zaak te oordelen.
bewezenverklaardefeiten.
tweede middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen.
acte éclairé”,dat wil zeggen indien de betreffende uniebepaling al door het Hof van Justitie is uitgelegd of de juiste uitleg rechtstreeks uit zijn jurisprudentie kan worden afgeleid, c.q. een “
acte clair”,dat wil zeggen indien de juiste toepassing van het unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over de juiste interpretatie. Voor een lagere nationale rechterlijke instantie is het stellen van prejudiciële vragen in principe een bevoegdheid, doch geen verplichting (een hier niet ter zake doende uitzondering daargelaten). [5]
ongeregistreerdefarmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het stellen van een prejudiciële vraag niet noodzakelijk is voor het doen van zijn uitspraak, komt mij dat oordeel gelet op het voorgaande dan ook niet onbegrijpelijk voor. Voor zover in het aangevoerde wel een vraag betreffende de uitleg van het unierecht moet worden gelezen, geldt dat sprake is van een
acte clair, nu art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, WOG duidelijk de nationale uitwerking van Europese regelgeving, in het bijzonder de hierboven aangehaalde richtlijnbepalingen, vormt.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten met welk doel de bewezenverklaarde invoer heeft plaatsgevonden.
vierde middelklaagt over het gebruik tot het bewijs van de verklaringen van de getuige [betrokkene 3].
vijfde middelaldus dat het klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.