ECLI:NL:PHR:2014:117

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2014
Publicatiedatum
11 maart 2014
Zaaknummer
13/02181
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep ondanks overschrijding termijn en beoordeling middelen

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 januari 2013. Het cassatieberoep werd ingesteld op 18 februari 2013, na het verstrijken van de wettelijke termijn. De volmacht tot het instellen van cassatie was echter op 5 februari 2013 aan de griffiemedewerker van het hof verstrekt. De Hoge Raad concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat het late indienen het gevolg is van een aan verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim, waardoor het beroep ontvankelijk is.

De inhoudelijke beoordeling van de vier middelen van cassatie laat zien dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Het eerste middel betrof de stelling dat verklaringen van verdachte niet in vrijheid waren afgelegd, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. Het tweede middel betrof een beroep op noodweer, dat door het hof terecht werd verworpen. Het derde middel richtte zich tegen de motivering van het bewezenverklaarde opzet, maar bevatte slechts een herhaling van eerdere standpunten zonder nieuwe onderbouwing. Het vierde middel stelde dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep ontvankelijk is, maar dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, waardoor het beroep wordt verworpen. Er is geen sprake van een administratieve onregelmatigheid die voor rekening van verdachte komt, en de Hoge Raad volgt deze lijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk verworpen wegens onvoldoende onderbouwde middelen.

Conclusie

Nr. 13/02181
Mr. Vegter
Zitting 11 februari 2014
Standpunt/conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 januari 2013. Er is een schriftuur houdende vier middelen van cassatie ingekomen.
2.
Primairstel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Immers blijkens de akte van cassatie is tegen het op tegenspraak gewezen arrest van het Hof van 23 januari 2013 op 18 februari 2013 en daarmee buiten de wettelijke termijn beroep in cassatie ingesteld. De steller van het middel meent dat dit toe te schrijven valt aan ‘administratieve onjuistheden’, maar deze worden niet anders onderbouwd dan door op te merken dat de raadsman van verdachte bij volmacht van 5 februari 2013 aan de griffiemedewerker van het Hof Amsterdam volmacht heeft verleend tot het instellen van cassatie. Daarmee staat echter nog niet zonder meer vast dat sprake is van een administratieve onregelmatigheid die niet voor rekening van verdachte komt. Voor het geval de Hoge Raad verdachte ontvankelijk acht in het ingestelde beroep in cassatie het volgende.
3. Hoewel de formulering van de vier ‘middelen’ de vraag oproept of daarvan wel sprake is, laat ik dit verder onbesproken. Het
eerste middelbetreft de verwerping door het Hof van de stelling van de verdediging dat de verklaringen van verdachte niet in vrijheid zijn afgelegd. Het middel gaat geheel langs de verwerping door het Hof heen en maakt daarmee niet duidelijk dat en waarom die verwerping te kort zou schieten. Het
tweede middelbetreft de verwerping van een beroep op (putatief) noodweer. In het licht van hetgeen blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting ter onderbouwing van het beroep op noodweer(exces) is aangevoerd is de verwerping daarvan door het Hof die in de kern inhoudt dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie toereikend. Het
derde middelbeoogt kennelijk op te komen tegen de motivering van het bewezenverklaarde opzet. Het bevat een herhaling van zetten uit de feitelijke aanleg waarop het Hof in een afzonderlijke bewijsoverweging is ingegaan. Waarom het Hof het in die bewijsoverweging bij het verkeerde eind zou hebben wordt op geen enkele wijze in het middel of de toelichting daarop onderbouwd. Voor zover ik het
vierde middelkan doorgronden richt het zich tegen de waardering van bewijsmiddelen en daarvoor is in cassatie geen ruimte.
4. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG