Bij eindarrest van 20 december 2011 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd. Het heeft opnieuw recht doende verklaard voor recht dat AMC c.s. aansprakelijk zijn jegens [verweerder] omdat zij met betrekking tot de operatie van [verweerder] die plaatsvond op 17 maart 2000 verwijtbaar zijn tekortgeschoten. Het hof heeft AMC c.s. hoofdelijk veroordeeld tot de betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 40.000,- ten titel van voorschot op door AMC c.s. aan [verweerder] te betalen smartengeld en tot betaling aan [verweerder] van alle overige door hem geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, op te maken bij staat. Het hof heeft daartoe – samengevat – overwogen als volgt.
De deskundige bevestigt de juistheid van de stelling van [verweerder] dat het doorschieten van de frees niet kan zijn veroorzaakt door het vastlopen van de frees in het bewerkte botmateriaal. Op grond van het deskundig oordeel van dr. Pavlov is genoegzaam komen vast te staan dat de door AMC c.s. gestelde verklaring van de complicatie tijdens de operatie niet de juiste kan zijn. Dr. Pavlov is van oordeel dat het (eventuele) vastlopen van de frees, op welke plaats in het botmateriaal en in welke fase van de ingreep dan ook, niet kan leiden tot het “doorschieten” van die frees. Hij heeft dit op zijn deskundigheid en ervaring gebaseerde oordeel op een inzichtelijke wijze naar voren gebracht en het hof heeft geen aanleiding aan dat oordeel te twijfelen. De door AMC c.s. bij memorie na deskundigenbericht overgelegde producties (een advies van prof. dr. [H], een brief van prof. dr. [I] en een e-mail van ing. [J]) waarop [verweerder] overigens niet heeft kunnen reageren, doen daaraan niet af. (rov. 2.3 en 2.8)
Op grond van dit deskundigenoordeel en bij gebreke van een door AMC c.s. gegeven andere (derde) verklaring van de complicatie acht het hof tevens bewezen dat [eiser 2] tijdens het doornemen van wervelboog C3 zijn op de frees uitgeoefende kracht niet, althans onvoldoende, heeft gedoseerd, meer concreet een te grote drukkracht op het instrument heeft uitgeoefend, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat de deskundige heeft verklaard dat in het feit dat het ruggenmerg is beschadigd een aanwijzing is gelegen dat de frees de dura met een zekere kracht moet hebben geraakt en dat bij gebruik van een scherpsnijdende bolkopfrees het risico op een beschadiging van het ruggenmerg groter is dan bij het gebruik van een diamantfrees. (rov. 2.9)
AMC c.s. hebben in hun memorie na deskundigenbericht slechts tegenbewijs aangeboden voor het geval het hof van oordeel mocht zijn dat zij dit tegenbewijs (nog) niet zouden hebben geleverd. Een dergelijk voorwaardelijk bewijsaanbod acht het hof (in dit stadium van het geding) in strijd met een goede procesorde. (rov. 2.10)
De slotsom is dat grief 1 gegrond is. Omdat dr. [A] in zijn rapport van een onjuiste feitelijke grondslag is uitgegaan, kan zijn rapport geen uitgangspunt zijn voor de verdere beoordeling van de zaak. (rov. 2.11 en 2.12)
In de in hoger beroep door [verweerder] geponeerde stellingen ligt besloten dat hij van mening is dat [eiser 2] niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht omdat hij tijdens het doornemen van de wervelboog C3 een te grote drukkracht op de door hem gehanteerde bolkopfrees heeft uitgeoefend. AMC c.s. hebben niet betwist dat [eiser 2] niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht indien [eiser 2] een te grote drukkracht op de bolkopfrees heeft uitgeoefend. Mede in aanmerking genomen dat AMC c.s. bij memorie van antwoord zelf hebben opgemerkt dat er slechts geringe kracht nodig is om het ruggenmerg te beschadigen, acht het hof de stelling van [verweerder] dat het uitoefenen van een te grote drukkracht op de door hem gehanteerde bolkopfrees op basis van voormeld criterium als een medische tekortkoming moet worden aangemerkt, door AMC c.s. onvoldoende (gemotiveerd) weersproken. (rov. 2.14)
Bij deze stand van zaken zijn de door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat toewijsbaar. (rov. 2.15)
Ten slotte dient te worden geoordeeld over het door [verweerder] gevorderde bedrag van € 40.000,- wegens smartengeld, welk bedrag [verweerder] – anders dan in eerste aanleg – thans bij wege van voorschot vordert. Het hof acht gelet op de ernst van het bij [verweerder] ontstane letsel (gedeeltelijke dwarslaesie) en de gevolgen daarvan een voorschot van € 40.000,- op een door het AMC en [eiser 2] ten titel van smartengeld te betalen bedrag alleszins redelijk en gerechtvaardigd. (rov. 2.16 en 2.17)