ECLI:NL:PHR:2013:CA3740
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verjaring en stuiting van executiebevoegdheid rechterlijk vonnis onder overgangsrecht
In deze zaak staat centraal de vraag of de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een vonnis uit 1990 verjaard is volgens de nieuwe regeling van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Overgangswet.
De kantonrechter had in 1990 een verstekvonnis gewezen waarbij eiseres werd veroordeeld tot betaling van een geldbedrag en rente. Executoriaal derdenbeslag werd in 1996 en later onder het UWV gelegd. Eiseres stelde dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging was verjaard op grond van de nieuwe verjaringstermijnen in het BW, terwijl IDM betoogde dat de stuiting van verjaring onder het oude recht een nieuwe termijn van dertig jaar deed aanbreken.
Het hof oordeelde dat de stuiting van verjaring onder het oude recht bleef gelden en dat de nieuwe korte verjaringstermijn na stuiting niet van toepassing was. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat hoewel de stuiting onder oud recht wordt beoordeeld, de nieuwe verjaringstermijn van maximaal vijf jaar na stuiting wel geldt. Hierdoor was de executiebevoegdheid op het moment van het beslag onder het UWV verjaard.
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van overgangsrecht bij verjaring en stuiting, bevestigt dat art. 120 Overgangswet Pro ziet op de rechtsgeldigheid van stuiting maar niet de lengte van de nieuwe termijn na stuiting, en benadrukt dat de nieuwe verjaringstermijn van art. 3:319 lid 2 BW Pro ook geldt bij stuiting onder oud recht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en stelt dat de executiebevoegdheid van het vonnis op het moment van het beslag onder het UWV was verjaard.