ECLI:NL:PHR:2013:CA3320

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/04740 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste maatstaf bij beoordeling klaagschrift inzake beslag en teruggave

In deze zaak gaat het om een klaagschrift van een derde die stelt eigenaar te zijn van goederen en geldbedragen die conservatoir zijn beslagen op grond van artikel 94a Sv in een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard omdat zij bij de beoordeling de maatstaf hanteerde of het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave.

De Hoge Raad stelt dat de rechtbank hiermee een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Volgens de Hoge Raad moet de rechter toetsen of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klager eigenaar is van het voorwerp en of de situatie van artikel 94a, derde of vierde lid, Sv zich voordoet. De rechtbank heeft nagelaten vast te stellen dat het beslag op grond van art. 94 of Pro 94a Sv is gelegd met het oog op wederrechtelijk verkregen voordeel door de klager.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling van het klaagschrift op basis van de juiste maatstaf. Er zijn geen ambtshalve gronden gevonden om de beschikking te vernietigen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het klaagschrift met de juiste maatstaf.

Conclusie

Nr. 12/04740 B
Mr. Vellinga
Zitting: 19 maart 2013
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. Bij beschikking van 29 augustus 2012 heeft de Rechtbank te Utrecht het beklag strekkende tot teruggave van de onder klaagster inbeslaggenomen goederen en geldbedragen, ongegrond verklaard.
2. Namens klaagster heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de onjuiste maatstaf heeft toegepast.
4. In de bestreden beschikking is door de Rechtbank het volgende vastgesteld. Op de in beslaggenomen goederen en geldbedragen rustte conservatoir beslag ingevolge art. 94a Sv ten behoeve van de procedure ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel die is aangespannen tegen [betrokkene 1]. Klaagster stelt de eigenaresse te zijn van deze inbeslaggenomen goederen en geldbedragen.
5. De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking als volgt overwogen:
"Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94a Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel."
6. Dusdoende heeft de Rechtbank miskend hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.15, luidende - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten -:
"Art. 94a Sv: toetsingsmaatstaven
(...)
2.15. Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet."
7. Voor zover de Rechtbank heeft overwogen dat het beslag dient te worden gehandhaafd in verband met procedures tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen klaagster merk ik op dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld dat onder klaagster beslag is gelegd op de voet van art. 94 of Pro art. 94a Sv met het oog op door haar wederrechtelijk verkregen voordeel en een dergelijk beslag in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde is
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG