ECLI:NL:PHR:2013:CA3315

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/03562
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 327 SvArt. 434 SvArt. 425 SvArt. 426 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt herstel proces-verbaal en afwijzing cassatieberoep wegens termijnoverschrijding

In deze zaak is verdachte bij verstek veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens gekwalificeerde diefstal door het Hof te 's-Gravenhage. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. Een van de middelen betrof de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet door de voorzitter was ondertekend, wat volgens art. 327 Sv Pro vereist is.

De Hoge Raad constateerde dat het proces-verbaal aanvankelijk niet rechtsgeldig was vastgesteld en ondertekend, omdat het alleen door de griffier en niet door de voorzitter was ondertekend. Dit vormde een formeel verzuim dat echter onder bepaalde omstandigheden herstelbaar is. Nadat alsnog een proces-verbaal was overgelegd dat wel door de voorzitter was ondertekend, verviel de grondslag van het middel.

Een tweede middel klaagde over een schending van het recht op een redelijke termijn zoals gegarandeerd in art. 6 EVRM Pro, omdat de stukken pas na meer dan acht maanden na het instellen van cassatie bij de Hoge Raad waren ingekomen. De Hoge Raad oordeelde dat deze schending voldoende was gecompenseerd door de constatering ervan, mede gezien de geringe strafmaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen en dat er geen aanleiding is tot vernietiging van het arrest van het Hof. Daarmee bevestigde de Hoge Raad de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep en de opgelegde straf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.

Conclusie

Nr. 12/03562
Mr. Vegter
Zitting: 21 mei 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Bij arrest van 24 augustus 2011 heeft de Enkelvoudige Kamer van het Hof te 's-Gravenhage verdachte, bij verstek, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage van 16 april 2010 waarbij verdachte, eveneens bij verstek, wegens gekwalificeerde diefstal was veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.
2. De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr. M. de Kock-Molendijk, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof in strijd met het bepaalde in art. 327 Sv Pro niet door de voorzitter is ondertekend.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 24 augustus 2011 dat op grond van het bepaalde in art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is gezonden, houdt in dat als voorzitter aanwezig is mr. L.A.J.M. van Dijk. Voorts houdt het proces-verbaal het volgende in:
'Dit proces-verbaal is bij ontstentenis van de voorzitter door de griffier vastgesteld en ondertekend, alsmede gezien en akkoord bevonden door senior raadsheer D.J.C. van den Broek.'
5. Hieruit volgt dat dit proces-verbaal niet is vastgesteld en ondertekend overeenkomstig het bepaalde in art. 327 Sv Pro, zodat het rechtskracht mist.
6. Het verzuim wordt niet hersteld doordat zich bij de stukken een aantekening mondeling arrest bevindt dat kennelijk wel is ondertekend door de voorzitter, nu de wet in de onderhavige zaak vereist dat een proces-verbaal van de terechtzitting wordt opgemaakt en tevens bepaalt dat de aantekening komt te vervallen indien een gewoon rechtsmiddel tegen het arrest wordt aangewend.(1)
7. Nu het geconstateerde verzuim, gelet op HR 19 maart 2009, LJN BH7296, onder omstandigheden herstelbaar kan zijn,(2) heb ik aan de griffier en de voorzitter de vraag laten voorleggen of het proces-verbaal van de terechtzitting alsnog kan worden ondertekend door mr. L.A.J.M. van Dijk.
8. Op 26 april 2013 is een proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 24 augustus 2011 ontvangen dat is ondertekend door de griffier en mr. L.A.J.M. van Dijk.
9. Bij brief van 26 april 2013 heb ik een afschrift van het proces-verbaal met daarin de aantekening mondeling vonnis, aan de raadsvrouwe gestuurd en haar gemeld dat op 21 mei 2013 conclusie zal worden genomen.
10. Nu alsnog een proces-verbaal is overgelegd van de terechtzitting van het Hof van 24 augustus 2011 dat is ondertekend door de griffier en de voorzitter, is de feitelijke grondslag aan het middel komen te ontvallen.
11. Het middel faalt.
12. Het tweede middel klaagt terecht over een inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht doordat de stukken van het geding op 2 juli 2012 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 21 oktober 2011 beroep in cassatie was ingesteld. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf is de inbreuk afdoende gecompenseerd door de enkele constatering ervan door de Hoge Raad.(3)
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
14. Deze conclusie strekt tot constatering door de Hoge Raad dat in cassatie een inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, de vaststelling dat de verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling ervan, en tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Art. 425, derde lid sub c, Sv en art. 426, vierde lid, Sv.
2 HR 19 maart 2009, LJN BH7296 r.o. 2.3 waar werd aangenomen dat het verzuim herstelbaar was nu het proces-verbaal alleen was ondertekend door de griffier en niet tevens door een ander dan de voorzitter. Zie ook HR 2 juni 2009, LJN BH9945, NJ 2009/282 r.o. 2.4.
3 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis r.o. 3.6.2. sub C.