4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De beslissing van het Tribunal Correctionnel te Nîmes van 30 september 2008 houdt in dat de veroordeelde ter zake van "medeplichtigheid aan verboden invoer van verdovende middelen - handel", "medeplichtigheid aan verboden aankoop van verdovende middelen", "medeplichtigheid aan verboden vervoer van verdovende middelen", "medeplichtigheid aan verboden bezit van verdovende middelen" en "medeplichtigheid aan verboden aanbieden of vervreemding van verdovende middelen" is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaren en een boete van € 60.000,-.
(ii) Een schrijven van het Franse ministerie van justitie van 29 april 2009, gericht aan het Nederlandse ministerie van justitie, betreffende de overbrenging van de veroordeelde naar Nederland vermeldt dat de invrijheidstelling van de veroordeelde op dat moment is vastgesteld op 11 september 2012.
(iii) Een - door de raadsman van de veroordeelde op de zitting van de rechtbank van 30 september 2009 overgelegd - schrijven van reclassering Nederland, bureau buitenland, van 8 september 2009 houdt in dat de veroordeelde in Frankrijk normaliter bij goed gedrag een straftijdverkorting van elf maanden zou hebben gekregen die van de totale onvoorwaardelijke gevangenisstraf pleegt te worden afgetrokken, dat daarnaast op de helft van de overgebleven straf een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling kon worden ingediend en dat dit voor de veroordeelde zou hebben betekend dat hij medio september 2010 voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking had kunnen komen.
(iv) De rechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 14 oktober 2009 overeenkomstig de conclusie van de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de Franse beslissing toelaatbaar verklaard, verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van voornoemde beslissing en de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 48 maanden. Namens de veroordeelde is beroep in cassatie ingesteld tegen deze uitspraak.
(v) De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 september 2010, LJN BM4453, NJ 2010/505 de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank te Breda, op de grond dat de rechtbank geen blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of een eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling waartoe in de verzoekende staat (Frankrijk) bij voortgezette tenuitvoerlegging zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeligere positie zou komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft.
(vi) Blijkens de op de zitting van de rechtbank van 24 november 2010 overgelegde pleitnotitie heeft de raadsman van de veroordeelde onder verwijzing naar het schrijven van de reclassering van 8 september 2009 betoogd dat de veroordeelde in Frankrijk medio september 2010 voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking had kunnen komen, zodat de rechtbank er bij de omzetting van de straf voor dient te zorgen dat de veroordeelde in Nederland op 15 september 2010 in vrijheid wordt gesteld om te voorkomen dat hij in een nadeligere positie geraakt.
(vii) De rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 8 december 2010 de officier van justitie opgedragen bij de plaatselijke justitiële autoriteit in Nîmes, die is belast met het toewijzen van of adviseren over verzoeken strekkende tot voorwaardelijke invrijheidstelling, hetzij bij het Franse ministerie van justitie inlichtingen in te winnen over de volgende vragen: 1) Wat is de mate van waarschijnlijkheid van de inwilliging van een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling, gedaan door een buitenlandse veroordeelde na ommekomst van de helft van de daadwerkelijk te ondergane detentie; 2) Welke criteria spelen een rol bij de beslissing op een dergelijk verzoek en in welke mate verhouden zij zich tot elkaar; 3) Hoe lang duurt doorgaans de procedure om de beslissing op een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling te verkrijgen; en 4) Indien het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegewezen, geldt dit dan voor het resterende deel van de straf - waardoor de veroordeelde onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld - of voor een gedeelte daarvan.
(viii) In antwoord op deze vragen heeft het Franse ministerie van justitie bij brief van 14 november 2011, gericht aan het Nederlandse ministerie van justitie, het volgende bericht. De einddatum van de aan de veroordeelde opgelegde straf is 11 september 2012, waarbij rekening is gehouden met het feit dat de veroordeelde - die op 25 augustus 2008 is vastgezet en is veroordeeld tot een straf van vijf jaren - in april en augustus 2011 veertien dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten en vanaf het begin een strafvermindering van elf maanden is toegepast. Hoewel de veroordeelde op 26 augustus 2010 (op de helft van de straf die nog uitgezeten diende te worden) aanspraak kon maken op (verdere) vermindering van de straf, heeft het toekennen van deze strafvermindering in het Franse recht geen automatisch karakter, zelfs niet wanneer de veroordeelde aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet. Voorts wordt de situatie van de veroordeelde onderzocht door de rechter van straftoepassing, die de mogelijkheid heeft een voorwaardelijke vrijlating toe te kennen aan de veroordeelde. Daarbij gaat het om een rechterlijke beslissing die zich leent voor beroep en - indien van toepassing - cassatie. Bovendien wordt bij een beslissing tot voorwaardelijke vrijlating rekening gehouden met het gedrag van de veroordeelde tijdens de hechtenis, de aansluiting van de veroordeelde bij een traject in de gevangenis en externe elementen waardoor de re-integratie van de veroordeelde in de maatschappij kan worden gegarandeerd. Derhalve is het onmogelijk om voor de veroordeelde de kans in te schatten op voorwaardelijke vrijlating, zelfs al zou hij ten aanzien van zijn strafrechtelijke situatie voldoen aan de voorwaarden, aangezien iedere persoonlijke situatie ad hoc wordt onderzocht waarbij een individuele beslissing wordt genomen.
(ix) Een - door de raadsman van de veroordeelde op de zitting van de rechtbank van 19 maart 2012 overgelegde - brief van reclassering Nederland, bureau buitenland, van 27 januari 2011 houdt met betrekking tot de door de rechtbank in haar tussenbeslissing gestelde vragen het volgende in. Zeker 85% van de Nederlanders in Frankrijk krijgt na een rond de helft van de straf gedaan verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling een positieve beslissing. Naast goed gedrag in de gevangenis zijn de criteria daarbij een bewijs van huisvesting c.q. onderdak en een werkgeversverklaring dan wel een uitkeringsverklaring. Voorts krijgt de gedetineerde een datum te horen vanaf wanneer het verzoek ingediend mag worden, waarna de commissie binnen vier maanden een beslissing dient te nemen. Bij goedkeuring van de beslissing geldt dit voor het resterende deel van de straf.
(x) De officier van justitie heeft op de zitting van de rechtbank van 19 maart 2012 onder verwijzing naar de brief van het Franse ministerie van justitie van 14 november 2011 gevorderd dat de Franse straf dient te worden omgezet in een gevangenisstraf van 48 maanden. Ten slotte heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 april 2012 de veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden opgelegd.