ECLI:NL:PHR:2013:CA1231

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/01697
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen voortijdige beëindiging schuldsaneringsregeling

Verzoekster was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en deze werd op voordracht van de rechter-commissaris voortijdig beëindigd door de rechtbank 's-Gravenhage. Het hof bekrachtigde deze beëindiging en stelde dat verzoekster tekort was geschoten in meerdere verplichtingen uit de regeling, waaronder het niet afdragen van bedragen, onvoldoende sollicitatie-inspanningen, het ontstaan van nieuwe schulden en het zelfstandig aflossen van schulden zonder medeweten van de bewindvoerder.

Het hof benadrukte dat het zelfstandig aflossen van schulden zonder medeweten van de bewindvoerder in strijd is met het fixatiebeginsel en leidt tot benadeling van schuldeisers. Deze grond werd als zelfstandige reden voor beëindiging aangevoerd en niet bestreden in cassatie.

De Procureur-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de niet-bestreden grond de beëindiging volledig rechtvaardigt. Hierdoor blijft de beschikking van het hof in stand, ongeacht de bestreden andere gronden.

Het cassatieberoep werd tijdig ingediend maar faalde op ontvankelijkheid, waarmee de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling definitief is bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft in stand.

Conclusie

Zaaknummer: 13/01697 (WSNP)
mr. Wuisman
Rolzitting: 17 mei 2013
CONCLUSIE inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. R.P.A. Pohlkamp.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Bij beschikking d.d. 13 juli 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage de schuldsaneringsregeling, waartoe verzoekster bij vonnis d.d. 25 januari 2011 was toegelaten, op voordracht van de rechter-commissaris voortijdig beëindigd. Het hof 's-Gravenhage heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 28 maart 2013. Het hof is van oordeel dat verzoekster tot cassatie in de nakoming van de volgende voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten:
1. de afdrachtverplichting waardoor een boedelachterstand van € 1.514,50 is ontstaan;
2. de sollicitatieverplichting teneinde tot een voltijdbaan of een aanvullende baan te komen;
3. de verplichting om geen nieuwe schulden te doen ontstaan;
4. de verplichting om niet buiten de bewindvoerder om zelf op enkele onder de schuldsaneringsregeling vallende schulden af te lossen.
Omtrent de schending van de onder 4. genoemde verplichting overweegt het hof in rov. 5 onder meer: "Dit is gelet op het gedurende de schuldsaneringsregeling geldende fixatiebeginsel niet toegestaan en leidt tot benadeling van de overige schuldeisers. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder hierin is gekend. Ook dit rechtvaardigt beëindiging van de regeling."
1.2 Verzoekster tot cassatie is van de beschikking van het hof in cassatie gekomen met een op 2 april 2013 en daarmee tijdig bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Er wordt een algemene motiveringsklacht aangevoerd die in de toelichting nader wordt uitgewerkt.
2.2 Zoals blijkt uit het hierboven onder 1.1 weergegeven citaat met betrekking tot de schending van de onder 4 genoemde verplichting, beschouwt het hof die schending als een zelfstandige grond voor de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Hoewel die grond als ten overvloede wordt aangevoerd, kan zij toch de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten volle dragen. In cassatie wordt deze grond niet bestreden. Dit brengt mee dat, ook indien de andere door het hof aangevoerde gronden voor de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank in cassatie terecht zouden worden bestreden, de beschikking van het hof in stand blijft. Dit betekent dat het cassatieberoep klaarblijkelijk geen doel treft en derhalve niet-ontvankelijk is te achten op grond van artikel 80 RO Pro.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden