ECLI:NL:PHR:2013:BZ6524

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05159
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 lid 1 SrArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onvoldoende gronden na medeplegen poging tot doodslag

Het beroep in cassatie van verdachte richt zich tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 2012. Diverse klachten worden aangevoerd, waaronder schending van het ne bis in idem-beginsel, onjuiste bewijswaardering omtrent medeplegen van poging tot doodslag, en onvoldoende motivering van de straf.

De klacht over het ne bis in idem-beginsel wordt verworpen omdat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van eendaadse samenloop, waardoor slechts de zwaarste strafbepaling wordt toegepast conform artikel 55 lid 1 Sr Pro. De klacht dat medeplegen niet uit het bewijs volgt wordt eveneens verworpen; het hof heeft gemotiveerd vastgesteld dat verdachte samen met mededaders heeft geslagen, geduwd, geschopt en getrapt, wat een bewuste en nauwe samenwerking impliceert.

De klacht over onvoldoende motivering van de straf wordt afgewezen vanwege de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij straftoemeting. Gezien deze overwegingen leidt geen van de klachten tot een gegrond cassatieberoep.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gronden.

Conclusie

Nr. 12/05159
Mr. Vellinga
Zitting: 19 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 3 februari 2012.
2. Het middel bevat klachten van diverse aard.
3. De klacht dat de verdachte gelet op de bewezenverklaring twee keer voor hetzelfde feit is veroordeeld en derhalve het beginsel ne bis in idem is geschonden vindt geen steun in het recht, en wel reeds daarom niet omdat het Hof heeft overwogen dat de feiten in eendaadse samenloop zijn gepleegd en ingevolge art. 55 lid 1 Sr Pro dus slechts die strafbepaling wordt toegepast waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
4. De klacht dat medeplegen van poging tot doodslag niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid miskent dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat verdachte tezamen met zijn mededaders, [betrokkene 1 en 2] heeft geslagen en geduwd, en toen deze op de grond lagen, heeft geschopt en getrapt, hetgeen een bewuste en nauwe samenwerking impliceert, en zich niet van het handelen van zijn mededaders heeft gedistantieerd.
5. De klacht dat de straf onvoldoende is gemotiveerd stuit af op de vrijheid van de feitenrechter bij de keuze en de waardering van de feiten die bij de straftoemeting in aanmerking worden genomen.
6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG