ECLI:NL:PHR:2013:BZ5902

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05499
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 2 sub c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstane schulden

Verzoekster diende een verzoek in tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, dat door de rechtbank 's-Gravenhage werd afgewezen omdat onvoldoende duidelijkheid bestond over de ontstaansdata van de schulden en het te goeder trouw ontstaan daarvan.

Het hof bevestigde deze afwijzing in hoger beroep, stellende dat vrijwel alle schulden binnen vijf jaar voor het verzoek waren ontstaan en dat niet was komen vast te staan dat de nieuwe schulden te goeder trouw waren ontstaan en onbetaald gebleven. Dit vormde een belemmering voor toelating tot de regeling.

Verzoekster stelde cassatie in bij de Hoge Raad, die de klachten verwierp. De Hoge Raad benadrukte dat artikel 288 lid 2 sub c Faillissementswet Pro een verplichte afwijzingsgrond inhoudt en dat het niet voldoende is dat schuldenaar zijn schulden niet meer kan voldoen; de schulden moeten ook te goeder trouw zijn ontstaan.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat niet is aangetoond dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan en dat het cassatieberoep daarom geen succes heeft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Conclusie

Zaaknummer: 12/05499
mr. Wuisman
Parket datum: 1 februari 2013
CONCLUSIE inzake:
[Verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römmelingh
1. Voorgeschiedenis
1.1 Het op 21 mei 2012 bij de rechtbank 's-Gravenhage binnengekomen verzoek van verzoekster tot cassatie om toelating tot de schuldsaneringsregeling alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank bij vonnis d.d. 3 juli 2012 af. Doordat niet voldoende duidelijkheid is verschaft over de ontstaansdata van de opgegeven schulden, is het niet mogelijk, aldus de rechtbank, om vast te stellen of de schulden korter dan vijf jaren vóór het indienen van het verzoek zijn ontstaan en of zij te goeder trouw zijn ontstaan.
1.2 In zijn arrest d.d. 20 november 2012 acht het hof 's-Gravenhage het door verzoekster tot cassatie ingestelde hoger beroep alleen gericht tegen de afwijzing van het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling. Dat verzoek acht ook het hof niet toewijsbaar. Uit een opnieuw overgelegd overzicht van de schuldenlast leidt het hof af niet alleen dat vrijwel alle schulden stammen uit de periode van vijf jaren voorafgaande aan het indienen van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar ook dat de schuldenlast weer is opgelopen. Ten aanzien van de nieuwe schulden is niet komen vast te staan, aldus het hof, dat zij te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald gebleven. Dat staat aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.
1.3 Met een op 28 november 2012 bij de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is tijdig door verzoekster tot cassatie cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld. Er is in het verzoekschrift een voorbehoud gemaakt van eventuele aanvulling van de cassatiemiddelen naar aanleiding van het proces-verbaal van de hoorzitting bij het hof op 13 november 2012, welk proces-verbaal bij het opstellen van het verzoekschrift tot cassatie nog niet beschikbaar was. Van dit voorbehoud is geen gebruik gemaakt.
2. Bespreking cassatiemiddelen
2.1 Er zijn twee cassatiemiddelen voorgedragen.
2.2 De klacht in cassatiemiddel 1 treft geen doel wegens gemis aan feitelijke grondslag. Voor het niet toewijsbaar achten van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voert het hof, anders dan de rechtbank, niet als grond aan dat geen data voor het ontstaan van de schulden zijn gegeven. In tegendeel, van twee van de vijf schulden, die het hof aanleiding geven om het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet toewijsbaar te achten, vermeldt het hof het jaar waarin die schulden zijn ontstaan; zie het slot van rov. 4.4.
2.3 De klachten in cassatiemiddel 2, die op het slot van rov. 4.4 betrekking hebben, kunnen niet om de in het middel vermelde vier redenen slagen, want:
a. artikel 288 lid Pro 2, sub c Fw houdt een verplichte afwijzingsgrond in;
b. niet alleen wordt niet aangegeven waarom aan de door het hof in aanmerking genomen schuld aan het CIJB geen strafrechtelijk verwijt ten grondslag ligt, maar ook wordt miskend dat bij afwezigheid van strafrechtelijke verwijtbaarheid het te goeder trouw ontstaan en/of onbetaald gelaten zijn van de schuld, zoals krachtens artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub b Fw vereist, nog niet aannemelijk is;
c. het overtreffen van de incassokosten van de hoofdsom laat onverlet dat de betrokken schuld voor wat betreft de hoofdsom niet te goeder trouw is ontstaan en/of onbetaald gelaten, terwijl bovendien dit laatste ook kan gelden voor de incassokosten;
d. voor toelating tot de schuldsaneringsregeling is niet voldoende dat de betrokken schuldenaar niet meer in staat is zijn schulden te voldoen, zoals duidelijk uit artikel 288 Fw Pro blijkt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden