ECLI:NL:PHR:2013:BZ5671

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/00650
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 350 lid 3 sub c FwArt. 295 lid 2 FwArt. 295 lid 3 FwArt. 349a lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens boedelachterstand en tekortkomingen in nakoming verplichtingen

De schuldsaneringsregeling van eiser werd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 april 2010 van toepassing verklaard. Na afwijzing van een verzoek tot tussentijdse beëindiging in mei 2011, beëindigde de rechtbank de regeling op 12 oktober 2012 wegens boedelachterstand, het ontstaan van nieuwe schulden en schending van informatieverplichtingen.

Eiser ging in hoger beroep en verzocht verlenging van de regeling om de boedelachterstand in te lopen, waarbij hij stelde dat hij zich inspande en een oplossing had aangedragen. Het hof bekrachtigde het vonnis en oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt de achterstand binnen redelijke termijn te kunnen inlopen. De verkeersboetes die tijdens het werk als taxichauffeur ontstonden en door de werkgever op de boedelbijdrage werden ingehouden, leidden tot een lagere afdracht, wat als tekortkoming werd aangemerkt.

De Hoge Raad overwoog dat van schuldenaren in de schuldsanering mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspannen om aan verplichtingen te voldoen. Het hof had terecht geoordeeld dat het gedrag van eiser, dat leidde tot een verminderde boedelafdracht, een tekortkoming vormde. Ook de niet nagekomen informatieverplichting en het bestaan van nieuwe schulden waren terecht meegewogen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens boedelachterstand en tekortkomingen in nakoming verplichtingen.

Conclusie

13/00650
Mr. L. Timmerman
Zitting 22 maart 2013
Conclusie inzake:
[Eiser]
verzoeker tot cassatie,
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 april 2010 is ten aanzien van [eiser] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Nadat zij bij vonnis van 26 mei 2011 een verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging had afgewezen, heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 12 oktober 2012 beëindigd wegens het oplopen van de reeds eerder ontstane boedelschuld, het laten ontstaan van een nieuwe schuld en het schenden van de informatieverplichting.
1.2 Tegen het vonnis van 12 oktober 2012 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. [Eiser] verzocht het hof het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te verlengen om hem in de gelegenheid te stellen zijn boedelachterstand in te lopen.
Daartoe stelde hij dat hij er alles aan zal doen de schuldsaneringsregeling naar behoren af te ronden en de boedelachterstand aan te zuiveren. Hij stelde tot tweemaal toe een oplossing voor het probleem te hebben aangedragen. Nu de bewindvoerder hierop geen reactie heeft gegeven, acht hij beëindiging van de schuldsaneringsregeling prematuur. Daar komt bij dat er ook perioden zijn geweest waarin de afdracht hoger was dan de vastgestelde boedelbijdrage. [Eiser] heeft ter zitting van het hof voorgesteld dat hij zijn vakantiegeld over 2013 zal aanwenden om de boedelachterstand in te lossen en dat hij maandelijks extra aan de boedel zal afdragen. Tevens heeft hij een aanzienlijke vordering op een ex-werkgever die erkend is bij een minnelijke schikking die op 26 juni 2008 ten overstaan van de kantonrechter te Den Haag tot stand is gekomen. Verder betwist [eiser] dat stukken ten behoeve van de informatieverplichting ontbreken en dat een nieuwe schuld is ontstaan. De gemaakte verwijten zijn bovendien dermate beperkt dat zij volgens [eiser] niet kunnen leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Daar komt bij dat hij voltijds werkt en dat de huidige stand van de boedelrekening bijna € 9.500 bedraagt. Nu de looptijd van de schuldsaneringsregeling bijna is verstreken, had de rechtbank volgens [eiser] in het kader van de toekenning van een schone lei moeten beoordelen of hij naar behoren aan de verplichtingen had voldaan, en niet in het kader van een tussentijdse beëindiging.
1.3 Bij arrest van 31 januari 2013 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Daartoe overwoog het hof - samengevat - dat [eiser] een boedelachterstand van € 3.715,26 heeft laten ontstaan. Het hof oordeelde dat onvoldoende is aangetoond dat [eiser] daadwerkelijk in staat is om deze boedelachterstand binnen een redelijke termijn in te lopen. Het hof acht het onaannemelijk dat [eiser] de achterstand (deels) kan inlossen met de vordering op zijn voormalig werkgever, nu desbetreffende schikking van 26 juni 2008 dateert, sindsdien niets op deze vordering is afbetaald, de voormalig werkgever failliet is verklaard en [eiser] zijn vordering niet heeft ingediend in het faillissement. Het voorstel om het vakantiegeld over 2013 te gebruiken om de achterstand in te lopen gaat eraan voorbij gaat dat het vakantiegeld reeds deels aan de boedel dient te worden afgedragen, zodat het bedrag dat extra kan worden afgedragen aanzienlijk lager is dan waar [eiser] van uitgaat. Ten aanzien van de door de bewindvoerder genoemde nieuwe schuld kan uit de stukken niet worden afgeleid dat deze is voldaan, zodat voldoende aannemelijk is dat zij nog steeds openstaat. Gelet op de omstandigheid dat [eiser] door de rechtbank bij vonnis van 16 mei 2011 in de gelegenheid is gesteld zijn tekortkomingen te herstellen en hij deze kans niet heeft benut, zag het hof geen aanleiding hem nogmaals door middel van een verlenging van de looptijd van de regeling een laatste mogelijkheid tot herstel te bieden.
1.4 [Eiser] is van dit arrest tijdig(2) in cassatie gekomen.
2. Beoordeling van de middelen
2.1 Het verzoekschrift bevat vijf cassatiemiddelen, onderverdeeld in meerdere ongenummerde alinea's.
2.2 Middel 1 komt op tegen het oordeel van het hof dat vaststaat dat [eiser] een aanzienlijke boedelachterstand à € 3.715, 26 heeft laten ontstaan. Het hof overwoog daarover in r.o. 4 het volgende:
"4. Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [eiser] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende. Vaststaat dat [eiser] een aanzienlijke boedelachterstand heeft laten ontstaan. Volgens de (hernieuwde) berekeningen van de bewindvoerder bedraagt de achterstand € 3.715,26. Hoewel [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij bereid is deze achterstand in te lopen voor het einde van de regeling al dan niet na verlenging van de looptijd van de regeling, is het hof van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat [eiser] ook daadwerkelijk in staat is om de boedelachterstand binnen een redelijke termijn in te lopen. Daarbij betrekt het hof dat tot op heden geen extra afdrachten zijn verricht en dat het bedrag dat [eiser] dient in te lopen voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling naast de reguliere afdracht dermate hoog is dat hij hier financieel niet toe in staat wordt geacht. (...)"
Het middel verwijst verder naar het vonnis van de rechtbank van 12 oktober 2012, waarin de rechtbank over deze boedelachterstand overweegt als volgt:
"De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de boedelachterstand is ontstaan doordat schuldenaar verkeersboetes heeft laten ontstaan. Deze boetes worden door de werkgever ingehouden op de verplichte boedelbijdrage die de werkgever maandelijks voor schuldenaar verzorgt."
Het middel betoogt dat wanneer de systematiek van art. 295 Fw Pro wordt gevolgd, geen sprake is van een boedelachterstand. Wat speelt is dat de schuldenaar een taxichauffeur is. De verkeersboetes zijn tijdens het werk ontstaan en gericht aan de werkgever als kentekenhouder van de taxi. De werkgever heeft de bedragen die met de verkeersboetes zijn gemoeid in mindering gebracht op het loon van de werknemer. Het gerechtshof en de rechtbank kunnen eerst tot het oordeel komen dat er sprake is van een "boedelachterstand", ingeval aannemelijk zou zijn dat de schuldenaar niet al het inkomen boven het vrij te laten bedrag aan de boedel heeft afgedragen. In deze zaak is dat niet vastgesteld. De schuldenaar wordt dat verwijt ook niet gemaakt.
De schuldenaar valt volgens het middel mogelijk wel het verwijt te maken dat hij als taxichauffeur een hoger netto loon had genoten als hij tijdens het werk geen verkeersboetes had doen ontstaan. Het hogere netto loon had waarschijnlijk ook tot een hogere boedelafdracht geleid.
De schuldenaar valt daarentegen niet het verwijt te maken dat hij het inkomen boven de beslagvrije voet (van art. 295 lid 2 Fw Pro) vermeerderd met het nominaal bedrag (van art. 295 lid 3 Fw Pro) heeft verkregen, maar niet aan de boedel heeft afgedragen.
De opvatting dat de schuldenaar de verkeersboetes van het vrij te laten bedrag zou dienen te voldoen, geldt als de verkeersboetes niet door het werk in de taxi zijn ontstaan en aan de schuldenaar zijn gericht. In dat geval zou de werkgever van het loon als het ware betalingen voor de werknemer zijn gaan doen. In deze zaak is daar geen sprake van.
2.3 De klacht faalt.
Uit het feit dat het hof de verlaging van de boedelbijdrage als gevolg van de verkeersboetes als een tekortkoming in de nakoming van de afdrachtverplichting kwalificeert, blijkt dat het hof in navolging van de bewindvoerder(3) van oordeel is dat [eiser] de tijdens zijn werk als taxichauffeur ontstane verkeersboetes van het vrij te laten bedrag had moeten voldoen. Door er niet op toe te zien dat zijn werkgever de boetes niet inhield op de verplichte boedelbijdrage, heeft [eiser] naar het oordeel van het hof dus minder afgedragen dan waartoe hij verplicht was(4).
Uit de eerste volzin van r.o. 4 blijkt dat het hof bij dit oordeel de (juiste) maatstaf heeft gehanteerd dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. De schuldenaar ten aanzien van wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zal gedurende enkele jaren immers een zo groot mogelijke en zware inspanning moeten leveren om zoveel mogelijk activa in de boedel bijeen te brengen(5).
Het begaan van verkeersovertredingen past niet binnen deze verplichtingen, omdat de daaruit voorzienbaar voortvloeiende boetes een vermijdbare verlaging van de boedelbijdrage tot gevolg hebben. Zoals het middel zelf aangeeft, kan [eiser] worden verweten dat zijn gedragingen (verkeersovertredingen) tot een lagere boedelafdracht hebben geleid, zodat het doen ontstaan van de verkeersboetes als tekortkoming in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw Pro kan worden aangemerkt. Indien [eiser] de boetes uit het vrij te laten bedrag had betaald, hadden zijn gedragingen niet ten nadele van de boedel gestrekt en zouden zij ook niet zijn aan te merken als tekortkomingen in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw Pro.
2.4 De door het middel verdedigde opvatting dat de schuldenaar verkeersboetes alleen van het vrij te laten bedrag zou dienen te voldoen wanneer de verkeersboetes niet door het werk zijn ontstaan en aan de schuldenaar zijn gericht, berust niet op een mij bekende rechtsregel; het middel noemt ook geen vindplaats. In het kader van art. 350 lid 3 sub c Fw Pro is slechts relevant dat de schuldenaar door zijn gedrag vermijdbaar en verwijtbaar heeft bewerkstelligd dat de voor de boedel beschikbare gelden zijn verminderd. [eiser] betwist niet dat hij zonder zijn verkeersovertredingen een hogere boedelbijdrage had kunnen leveren. Het in r.o. 4 en 5 vervatte oordeel van het hof dat het begaan van deze verkeersovertredingen(6) en het in mindering brengen van de boetes op zijn boedelbijdrage kwalificeert als een tekortkoming in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, is derhalve niet onjuist en behoefde ook geen nadere motivering.
2.5 Middel 2 betoogt dat geen sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de informatieverplichting. Het hof overweegt over de informatieverplichting in r.o. 4 - in aanvulling op zijn oordelen omtrent de tekortkoming in de afdrachtverplichting en het ontstaan van nieuwe schulden:
"4. (...) Daarnaast is er nog een tekortkoming in de informatieverplichting. [Eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de bewindvoerder genoemde stukken wel door hem zijn aangeleverd en heeft deze evenmin in hoger beroep alsnog overgelegd."
2.6 Voor zover het middel betoogt dat de door de bewindvoerder opgevraagde polis 2012 en de salarisspecificaties van juni, september, oktober en december 2012 niet in hoger beroep hadden kunnen worden overgelegd omdat drie van de vijf documenten van na het vonnis van de rechtbank dateren, mist het feitelijke grondslag, althans getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het procesrecht. [Eiser] heeft niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat (het merendeel van) de stukken niet voor de mondelinge behandeling in appel op 24 januari 2013 konden worden overgelegd, zodat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is.
Verder wijs ik er op dat - voor zover het hof in r.o. 5 al heeft beoogd te oordelen dat de geconstateerde tekortkoming elk afzonderlijk zijn aan te merken als "van zodanige ernst dat deze de beëindiging van de regeling rechtvaardigen" - door het uitblijven van genoemde stukken steeds slechts een schatting kon worden gemaakt van de actuele stand van zaken, een feit waarop [eiser] blijkens het dossier herhaaldelijk is gewezen(7).
Nu het hof de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank ook baseert op het samenstel van een boedelachterstand en een nieuwe schuld, welke de bekrachtiging kan dragen, mist het middel ten slotte belang.
2.7 Middel 3 klaagt dat het hof in r.o. 4 een oordeel heeft gegeven dat niet past bij art. 350 lid 3 sub c Fw Pro maar bij art. 354a Fw, een vorm van beëindiging die niet voorlag in deze zaak.
Het middel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft conform art. 349a lid 3 Fw bezien in hoeverre de door [eiser] verzochte verlenging van de looptijd de voorshands geconstateerde tekortkoming als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c Fw Pro kon redresseren.
2.8 Middel 4 klaagt dat het hof art. 350 lid 3 sub d Fw Pro heeft geschonden door ten aanzien van de nieuwe schuld van € 1.281 niet te overwegen of deze al dan niet bovenmatig zou zijn; de wet stelt immers niet als eis dat tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen schulden mogen ontstaan, maar dat geen bovenmatige schulden mogen ontstaan.
Het middel berust op een te beperkte lezing van het arrest. Het hof noemt de nieuwe schuld in r.o. 4 immers pas na de opgelopen boedelachterstand van € 3.715,26, waaromtrent het hof heeft vastgesteld dat het bedrag dat [eiser] dient in te lopen voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling naast de reguliere afdracht dermate hoog is dat hij hier financieel niet toe in staat wordt geacht.
In de appelprocedure was slechts in debat of de nieuwe schuld al dan niet reeds betaald was, kennelijk vanuit de gedachte dat het nog bestaan ervan een tekortkoming zou vormen. Rechtsoverwegingen 4 en 5 in onderlinge samenhang bezien houden het oordeel in dat de nieuwe schuld van € 1.281 nog bestaat en als een tekortkoming (dus: als bovenmatig) moet worden aangemerkt, kennelijk wegens het geconstateerde gebrek aan financiële middelen en mede in het licht van de grote (niet meer in te lopen) boedelachterstand.
Overigens maak ik uit de opbouw van het arrest op dat het hof de nieuwe schuld evenals de tekortkoming in de informatieplicht meer als bijkomende omstandigheid - naast de boedelachterstand - dan als zelfstandig dragende grond heeft meegewogen.
2.9 Middel 5 bevat een voorbehoud tot aanvulling van de middelen naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting bij het hof. Van dit voorbehoud is evenwel geen gebruik gemaakt.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Voor zover in cassatie relevant. Zie het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2012, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof Den Haag en het arrest van dit hof van 31 januari 2013, onder "Het geding".
2 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 8 februari 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen.
3 Zie de verslagen van de bewindvoerder wsnp ex artikel 318 Fw Pro van 31 mei 2012 en 25 november 2011, beide onder 3 alsmede de brief van de bewindvoerder van 19 september 2012, p. 2.
4 Waarop hij ook is gewezen, zie de brief van de bewindvoerder van 19 september 2012, p. 1 en het p-v van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 28 september 2012, p. 2.
5 MvT, TK 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 5.
6 Bestaand uit regelmatige te hard rijden en telefoneren achter het stuur, zie brief van bewindvoerder De Snoo van 19 september 2012, p. 2.
7 Zie o.m. het p-v van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 28 september 2012, p. 1.