ECLI:NL:PHR:2013:BZ5376

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01093
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 588 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn en geldigheid inleidende dagvaarding bij uitlokking valsheid in geschrift

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling door het Gerechtshof Arnhem wegens uitlokking tot valsheid in geschrift. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. In cassatie werd onder meer betoogd dat de redelijke termijn was overschreden en dat de inleidende dagvaarding nietig was omdat deze niet naar het juiste buitenlandse adres van verdachte was verzonden.

De Hoge Raad constateert dat de cassatieprocedure de termijn van acht maanden heeft overschreden, maar acht dit gelet op de opgelegde straf niet reden voor meer dan een constatering. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat de dagvaarding en oproeping correct zijn betekend aan het toenmalige GBA-adres van verdachte in Duitsland en aan zijn raadsman, en dat verdachte tijdig op de hoogte was van de strafvervolging. Het verweer van nietigheid wordt daarom verworpen.

Daarnaast wordt het bewijs besproken waaruit blijkt dat verdachte zelf betrokken was bij de uitlokking en niet zijn vader, zoals hij had aangevoerd. De Hoge Raad vindt de bewijsmiddelen voldoende en verwerpt ook dit middel. Het cassatieberoep wordt geheel verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens uitlokking tot valsheid in geschrift blijft in stand.

Conclusie

Nr. 11/01093
Mr. Vellinga
Zitting: 29 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens -kort gezegd- uitlokking tot valsheid in geschrift veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoel in art. 6 EVRM Pro is overschreden
4. Het cassatieberoep is ingesteld op 28 februari 2011. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 16 maart 2012 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Gelet echter op de hoogte van de opgelegde straf, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.
5. Het middel is tevergeefs voorgedragen.
6. Het tweede middel komt op tegen 's Hofs verwerping van het verweer dat de inleidende dagvaarding aan nietigheid leidt.
Geldigheid inleidende dagvaarding
De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnota betoogd dat de inleidende dagvaarding voor de zitting van de rechtbank te Arnhem van 1 december 2005 nietig dient te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de dagvaarding niet is verzonden naar het toenmalige adres van verdachte in Duitsland, namelijk [a-straat 1] te [plaats], hoewel dat adres volgens de raadsman wel bij het openbaar ministerie bekend was. Volgens de raadsman dient de zaak om die reden te worden teruggewezen naar de rechtbank te Arnhem. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet op de hoogte was van de genoemde zitting. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat hij weliswaar oproepingen heeft ontvangen, maar dat hij daaruit niet kon opmaken welke strafbare feiten hem worden verweten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De dagvaarding voor de zitting van de rechtbank te Arnhem van 1 december 2005 is op 25 oktober 2005, overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, door het openbaar ministerie als gewone brief verzonden naar het toenmalige GBA-adres van verdachte, te weten [b-straat 1] te [plaats] (Duitsland). Niet is gebleken dat de betreffende medewerker van het openbaar ministerie op dat moment aanwijzingen had dat dit adres onjuist was. Hetzelfde geldt voor rechtbank ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 1 december 2005. Hetgeen de raadsman hieromtrent heeft aangevoerd, doet daaraan niet af. De zaak is in eerste aanleg pas inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 maart 2007. Een afschrift van de oproeping voor deze zitting is op 16 januari 2007 naar het GBA-adres van verdachte verzonden. Daarnaast is de oproeping voor deze zitting op 7 februari 2007 in persoon aan verdachte uitgereikt. Per brief van 30 januari 2007 heeft de raadsman van verdachte de rechtbank te Arnhem verzocht om toezending van het dossier, met als toelichting dat hij door zijn cliënt [verdachte] was gevraagd om hem in de onderhavige zaak (namelijk de zaak met het parketnummer 05/0905000-02) te adviseren. Uit de stukken volgt dat op 6 februari 2007 een afschrift van de oproeping voor de zitting van 22 maart 2007 aan de raadsman is verzonden. Volgens de advocaat-generaal is toen ook een kopie van het dossier aan de raadsman verzonden, hetgeen niet is weersproken door de verdediging. Nadat de rechtbank te Arnhem op 5 april 2007 een verstekvonnis had gewezen, heeft de raadsman op 17 april 2007, derhalve binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis, hoger beroep ingesteld. Het hof is van oordeel dat zowel de dagvaarding voor de zitting van 1 december 2005 als de oproeping voor de inhoudelijke zitting op 22 maart 2007 op correcte wijze aan verdachte is betekend. Gelet op het voorgaande acht het hof het bovendien aannemelijk dat verdachte enige tijd voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling op de hoogte was van de inhoud van de strafvervolging. Het hof ziet ook overigens geen reden om de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. Het verweer wordt derhalve verworpen."
7. Art. 588 lid 2 Sv Pro bepaalt dat indien van een geadresseerde een woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is de uitreiking geschiedt door toezending van de mededeling aan die woon- of verblijfplaats in het buitenland. Door slechts te onderzoeken of de betreffende medewerker van het openbaar ministerie of de rechtbank aanwijzingen had dat het adres waar de inleidende dagvaarding naar toe is gezonden, onjuist was geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bepalend voor de bekendheid van een adres in het buitenland is immers niet of de ambtenaar die de toezending verzorgt of de rechtbank aanwijzing had dat het gehanteerde adres onjuist was, maar of bij de justitiële autoriteiten een beter adres bekend was(1) of bij ter verwezenlijking van verdachtes aanwezigheidsrecht (art. 6 lid 1 EVRM Pro) redelijkerwijs te vergen inspanning bekend kon zijn.
8. Niettemin behoeft het voorgaande niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden. Zoals het Hof overweegt is de oproeping voor de zitting van 16 februari 2007 in persoon aan de verdachte uitgereikt terwijl zijn raadsman voordien had verzocht om toezending van het dossier met als toelichting dat hij door verdachte was gevraagd hem in de onderhavige zaak te adviseren. Voorts, aldus het Hof, volgt uit de stukken dat op 6 februari 2007 een afschrift van de oproeping voor de zitting van 22 maart 2007 aan de raadsman is verzonden. Noch de verdachte noch zijn raadsman is ter zitting van 22 maart 2007, waar de zaak voor het eerst inhoudelijk werd behandeld, verschenen. In hoger beroep heeft noch verdachte noch zijn raadsman uiteengezet waarom verdachte en zijn raadsman, hoewel zij op de hoogte waren van de zitting van het 22 maart 2007, niet ter terechtzitting zijn verschenen. Hieruit moet worden opgemaakt dat de verdachte alsnog vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg. Zie voor een overeenkomstig geval HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.29, inhoudende dat nietigverklaring van de inleidende dagvaarding achterwege blijft wanneer de appèldagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend en de verdachte of zijn raadsman niet is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep.
9. Het middel is tevergeefs voorgedragen.
10. Het derde middel klaagt dat verdachtes verweer dat niet hij maar zijn vader de onderhandelingen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gevoerd anders dan het Hof overweegt niet zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.
11. Het middel miskent dat bewijsmiddel 2 inhoudt dat verdachte de persoon is geweest die [betrokkene 1] heeft gevraagd tegen betaling een valse vrachtbrief op te maken en dat hij tweemaal op kantoor bij [betrokkene 1] is geweest, de tweede keer voor de valse facturen en CMR's op naam van [A]. Bovendien houdt bewijsmiddel 3 in dat twee mannen van [A] op kantoor bij [betrokkene 2] zijn geweest en dat beide mannen een valse vrachtbrief wilden hebben, terwijl bewijsmiddel 4 inhoudt dat één van die twee mannen, de jongere man, is herkend als verdachte.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 12 juni 2001, 02901/00 (niet gepubliceerd), HR 2 december 2008, LJN BF5578, NJ 2009, 9, en HR 12 december 2010, LJN BO2974.