ECLI:NL:PHR:2013:BZ4214
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van de inspecteur bij naheffingsaanslagen loonbelasting en boetebeschikkingen
Belanghebbende, werkzaam als journalist, kreeg van de Inspecteur naheffingsaanslagen loonbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd voor 2008 en 2009 wegens privégebruik van een ter beschikking gestelde auto. Tevens werden boetes opgelegd van 50% van de naheffingsaanslagen wegens vermeend (voorwaardelijk) opzet.
De Rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslagen ongegrond maar matigde de boetes tot 25% wegens grove schuld. Het Hof bevestigde de naheffingsaanslagen en matigde de boetes tot 20%. Belanghebbende stelde in cassatie primair dat de Inspecteur niet bevoegd was de aanslagen en boetes op te leggen, omdat hij niet onder diens ressort viel volgens de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.
De Hoge Raad overwoog dat sinds 1 januari 2003 de bevoegdheid van inspecteurs landelijk is, zoals bepaald in artikel 3, lid 1, AWR. De ressorteringsbepalingen in de Uitvoeringsregeling hebben slechts een voorlichtend karakter en bepalen onder welke inspecteur een belastingplichtige zich moet wenden, maar niet de bevoegdheid zelf. De landelijke bevoegdheid van de Inspecteur maakt hem bevoegd tot het opleggen van de aanslagen en boetes, ongeacht de woonplaats van belanghebbende. Het primaire middel faalt. Subsidiair is ook het boetebedrag aan de orde, waarbij rekening is gehouden met persoonlijke omstandigheden en de mate van verwijtbaarheid.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Inspecteur landelijke bevoegdheid heeft en de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht zijn opgelegd.