ECLI:NL:PHR:2013:BZ2868
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over compensatie passagiers bij langdurige vluchtvertraging en buitengewone omstandigheden
In deze zaak staat de compensatieregeling voor passagiers bij langdurige vertraging van vluchten centraal, zoals geregeld in Verordening (EG) nr. 261/2004. De passagiers vorderen schadevergoeding wegens vertraging, terwijl de luchtvaartmaatschappij zich beroept op buitengewone omstandigheden die de vertraging zouden rechtvaardigen.
De Hoge Raad heeft de procedure aangehouden in afwachting van prejudiciële uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in gerelateerde zaken. Na deze uitspraken, waarin werd bevestigd dat passagiers recht hebben op compensatie bij vertraging van drie uur of meer, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, heeft de Hoge Raad de zaak hervat.
De Procureur-Generaal concludeert dat het verweer van de luchtvaartmaatschappij ten onrechte door de kantonrechter is gepasseerd en adviseert tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak. Hiermee wordt bevestigd dat de luchtvaartmaatschappij de mogelijkheid moet krijgen om haar verweer over buitengewone omstandigheden te onderbouwen.
Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling waarbij het verweer over buitengewone omstandigheden kan worden onderzocht.