ECLI:NL:PHR:2013:BZ2776
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verzoek tot verlenging executietermijn hypotheekhouder in faillissement
In deze zaak staat centraal de vraag of een verzoek van een hypotheekhouder (de Bank) tot verlenging van de termijn voor het uitoefenen van haar hypotheekrecht in een faillissement kan worden behandeld als een verzoek op grond van artikel 69 Faillissementswet Pro, waartegen wel hoger beroep mogelijk is, of onder artikel 58 lid 1 Faillissementswet Pro valt, waartegen hoger beroep is uitgesloten.
De Bank had een termijn van twee maanden gekregen van de curator om haar hypotheekrecht uit te oefenen, maar vond deze termijn onredelijk en verzocht de rechter-commissaris om een redelijke termijn toe te kennen en zich te onthouden van opeising. De rechter-commissaris wees dit verzoek af en de rechtbank verklaarde het beroep van de Bank tegen deze beslissing niet-ontvankelijk vanwege de uitsluiting van hoger beroep.
De Hoge Raad bevestigt dat het verzoek van de Bank, hoewel geformuleerd op grond van artikel 69 Fw Pro, feitelijk neerkomt op een verlengingsverzoek in de zin van artikel 58 lid 1 Fw Pro. Hierdoor valt het verzoek onder de uitsluiting van hoger beroep zoals bedoeld in artikel 67 lid 1 Fw Pro. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Bank en laat het incidenteel cassatieberoep buiten behandeling, tenzij het principaal beroep alsnog slaagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Bank wordt verworpen en het beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris is niet-ontvankelijk verklaard.