ECLI:NL:PHR:2013:BZ2047

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/05273
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Regionale Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 2005Art. 78 lid 1 ROArt. 78 lid 4 ROArt. 80a ROArt. 8:86 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen uitspraak bestuursrechter

Eiser heeft bij het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wassenaar een aanvraag ingediend voor verlenging van een voorrangsverklaring, welke is afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage, waar het beroep ongegrond werd verklaard. Eiser ging in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde en een verzoek om voorlopige voorziening afwees.

Daarna heeft eiser cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ondanks een aankondiging heeft eiser geen nadere gronden voor het cassatieberoep aangevoerd en is geen verweerschrift ingediend.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de Hoge Raad op grond van artikel 78 lid 1 en Pro lid 4 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie geen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens is het beroep kansloos op grond van artikel 80a RO. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de Hoge Raad geen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Conclusie

12/05273
Mr. F.F. Langemeijer
4 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wassenaar
1. Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het College van B en W een aanvraag van [verzoeker] (hierna: eiser) om verlenging van een voorrangsverklaring(1) afgewezen. Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het College van B en W het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage en een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 16 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter in die rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Tegen die uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij heeft ook een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 30 augustus 2012(2) heeft de Voorzitter van de Afdeling het verzoek afgewezen en, met toepassing van art. 8:86 lid 1 Awb Pro in verbinding met art. 49 van Pro de Wet op de Raad van State, het beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
4. Bij beroepschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 6 september 2012, heeft eiser op nader aan te voeren gronden beroep in cassatie ingesteld tegen de genoemde uitspraak van de Voorzitter(3). Eiser is niet vertegenwoordigd door een advocaat. Bij brief, ingekomen op 12 december 2012, heeft eiser aangekondigd binnen twee weken alsnog de grondslag van zijn beroep te zullen verstrekken. Het is bij die aankondiging gebleven. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
5. Het beroep zal klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, omdat het is gericht tegen een uitspraak van de Voorzitter van de ABRvS in een bestuursrechtelijk geschil. Op grond van art. 78 lid 1 RO Pro neemt de Hoge Raad kennis van het beroep in cassatie tegen de handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven en de rechtbanken. Van een zodanig beroep is hier geen sprake. Op grond van art. 78 lid 4 RO Pro neemt de Hoge Raad kennis van het beroep in cassatie van de administratieve rechter voor zover dit bij wet is bepaald. Ook op grond van deze bepaling komt de Hoge Raad in dit geval geen bevoegdheid toe.
6. Daarenboven komt het beroep in aanmerking voor toepassing van art. 80a RO. Deze bepaling is geschreven voor "cassatieberoepen die kansloos zijn wegens het ontbreken van deugdelijke cassatiemiddelen of wegens een gebrek aan belang"(4).
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Blijkens blz. 3 - 4 van de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) gaat het om een voorrangsverklaring als bedoeld in art. 31 van Pro de Regionale Huisvestingsverordening van het stadsgewest Haaglanden 2005
2 Nrs. 2012.05941/1/A3 en 2012.05941/2/A3.
3 Het beroepschrift is aanvankelijk in behandeling genomen door de Derde Kamer van de Hoge Raad onder nummer 12/04260 en, gelet op art. VIII van het Reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad, overgedragen aan de Eerste Kamer.
4 Nota n.a.v. het verslag (Wet versterking cassatierechtspraak), Kamerstukken II 2010-2011, 32 576, nr. 6, blz. 2.