ECLI:NL:PHR:2013:BZ1890
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijsminimum en ontuchtige handelingen in zedenzaken
In deze zaak gaat het om de bewezenverklaring van ontuchtige handelingen gepleegd door verdachte jegens minderjarige slachtoffers in Urk. Het hof had verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van slachtoffers en getuigen, waarbij de betrouwbaarheid van de verklaringen en het bewijsminimum volgens art. 342 lid 2 Sv Pro centraal stonden.
De verdediging voerde aan dat de handelingen van verdachte niet ontuchtig waren, maar bedoeld als controle of het kind nat was, en dat het bewijs onvoldoende was omdat het grotendeels uit één bron kwam. Het hof verwierp deze verweren, maar de Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan het bewijsminimum is voldaan, met name voor het tweede subsidiaire tenlastegelegde feit.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof heeft verzuimd de wettelijke rente toe te wijzen aan de benadeelde partij over de toegewezen schadevergoeding. Het cassatieberoep wordt deels gegrond verklaard, het arrest vernietigd voor zover het betreft het bewijsminimum en de rente, en het hof wordt opgedragen dit te herstellen. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het tweede subsidiaire tenlastegelegde feit wegens onvoldoende motivering van het bewijsminimum en de wettelijke rente wordt alsnog toegewezen aan de benadeelde partij.