ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/05471
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:317 BWArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over verjaring en stuiting bij koop van boerenbedrijf

In deze zaak stond de koop van een boerenbedrijf centraal waarbij eiser vorderde tot levering of schadevergoeding. Verweerder beriep zich op verjaring en stelde dat deze verjaring rechtsgeldig was gestuit. Het hof had geoordeeld dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar was en dat er geen sprake was van daadwerkelijke onderhandelingen die het beroep op verjaring zouden kunnen weerleggen.

Eiser voerde in cassatie meerdere middelen aan, waaronder dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de verjaring rechtsgeldig was gestuit op grond van artikel 3:317 lid 1 BW Pro en dat het hof onjuist had geoordeeld over het ontbreken van onderhandelingen. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen geen feitelijke grondslag missen en dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd. Ook stelde de Hoge Raad vast dat het hof niet de feitelijke grondslag van het verweer had aangevuld en dat de klachten over het lezen van een erkenning in brieven niet voldeden aan de vereisten.

Verder faalden klachten over het oordeel van het hof omtrent het uitblijven van het transport en de verrekening, omdat het hof dit als feitelijk oordeel had beschouwd en voldoende had gemotiveerd. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard kon worden. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep.

Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van verjaring en de voorwaarden waaronder stuiting plaatsvindt, evenals de beoordeling van feitelijke omstandigheden zoals onderhandelingen en erkenningen in het kader van koopovereenkomsten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep op verjaring door verweerder wordt bevestigd.

Conclusie

Rolnr. 12/05471
Mr M.H. Wissink
Zitting van 1 februari 2013
Conclusie inzake:
[Eiser],
te [woonplaats],
eiser tot cassatie
tegen
[Verweerder],
te [woonplaats],
verweerder in cassatie
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de arresten van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 augustus 2012 en 20 december 2011 gewezen tussen eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) als appellant en verweerder (hierna: [verweerder]) als geïntimeerde. De middelen betreffen de overwegingen in het arrest van 20 december 2011 waarin het beroep op verjaring van [verweerder] is aanvaard (middel 1) en, ter zake van een andere vordering van [eiser], de ingangsdatum van de wettelijke rente (middel 2). De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
2. Middel 1 mist feitelijke grondslag voor zover het klaagt (in het bijzonder in nr. 3.1, onderdeel 1 en onderdeel 3) dat het hof in rov. 4.2.3.2 t/m 4.2.3.4 niet de stuiting van de verjaring op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW Pro of door erkenning heeft aangenomen. Op basis van de in cassatie niet bestreden lezing van subgrief Ia door het hof in rov. 4.2.3.1, heeft het hof immers in rov. 4.2.3.2 t/m 4.2.3.6 onderzocht of het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Ook de aanname in onderdeel 1 in nr. 3.3 mist feitelijke grondslag. Zie rov. 4.2.3.4, eerste volzin.
Middel 1 faalt ook voor zover het klaagt (in onderdeel 2) over het oordeel, dat in casu geen sprake was van onderhandelingen als bedoeld in HR 1 februari 2002, LJN AD5811, NJ 2002/195 en 9 april 2010, LJN BL3866, NJ 2010/214, welke met zich zouden kunnen brengen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is geenszins onbegrijpelijk en wordt in rov. 4.2.3.3 t/m 4.2.3.5 voldoende gemotiveerd. In het bijzonder kon het hof oordelen dat geen sprake was van 'daadwerkelijke onderhandelingen'. Dat wordt niet anders waar volgens het onderdeel [eiser] aandrong op nakoming van de overeenkomst en [verweerder] nieuwe voorwaarden wilde bedingen (zie met name nrs. 3.9, slot, 3.10 en 3.11). Daaruit blijkt eerder een gebrek aan communicatie, dan dat sprake zou zijn geweest van daadwerkelijke onderhandelingen.
Dit wordt ook niet anders in het licht van onderdeel 4. Het hof behoefde niet in te gaan op een stelling die [verweerder] bij pleidooi had betrokken en weer had laten vallen. Anders dan het onderdeel veronderstelt (nr. 3.14) heeft het hof niet de feitelijke grondslag van het verweer aangevuld (zie het standpunt van [verweerder] ad grief I op p. 7 van de MvA).
Voor zover onderdeel 1 in nr. 3.5 nog een afzonderlijke klacht bevat dat het hof een erkenning in de daar bedoelde brieven had behoren te lezen, faalt de klacht nu deze niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen; het middel geeft niet aan, onder vermelding van de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding, dat daarop door [eiser] reeds in feitelijke instanties een beroep is gedaan. Dit geldt ook voor onderdeel 5 dat is gericht tegen rov. 4.2.4.2 t/m 4.2.4.4.
3. De klacht in nr. 3.17 van onderdeel 1 van middel 2 faalt, omdat deze geheel voorbijgaat aan de overwegingen van het hof in rov. 4.4.2 over het uitblijven van het transport, waarbij ook de verrekening zou plaatsvinden. Reeds daarom faalt ook de vervolgklacht van nr. 3.18.
Anders dan onderdeel 2 aanvoert, is het arrest niet innerlijk tegenstrijdig, is rov. 4.4.2 voldoende gemotiveerd en heeft het hof niet de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerder] aangevuld. Het hof kon oordelen dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het aan [verweerder] toerekenbaar was dat de levering geen doorgang heeft gevonden in het licht van hetgeen [verweerder] daartoe had aangevoerd (zie ad grief I op p. 7 van de MvA). Dit oordeel is overigens als feitelijk van aard aan het hof voorbehouden.
Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G