ECLI:NL:PHR:2013:BZ1410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/04804
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 315 lid 2 FwArt. 316 lid 2 FwArt. 42 FwArt. 43 lid 1 onder 3 sub a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen afwijzing verzoek tot intrekking machtiging bewindvoerder in schuldsaneringsregeling

De zaak betreft een cassatieberoep van een schuldenaar tegen een beschikking van de rechtbank die het beroep tegen de machtiging van de bewindvoerder tot het starten van een procedure tegen de vader van de schuldenaar ongegrond verklaarde. De bewindvoerder had een procedure gestart wegens een mogelijke paulianeuze verkoop van de woning van de schuldenaar aan zijn vader.

De rechtbank oordeelde dat het beroep van de schuldenaar een verkapt hoger beroep tegen een machtiging van de rechter-commissaris was en dat op grond van artikel 315 lid 2 Faillissementswet Pro (Fw) geen hoger beroep tegen een dergelijke beschikking mogelijk is, tenzij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. De schuldenaar stelde dat de rechtbank ten onrechte het appelverbod had toegepast en dat de bewindvoerder onvoldoende voortvarend was geweest.

De Hoge Raad bevestigt dat het appelverbod van artikel 315 lid 2 Fw Pro geldt en dat dit alleen kan worden doorbroken bij schending van fundamentele rechtsregels, hetgeen niet is gesteld of gebleken. Ook de stelling dat de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank materieel was beëindigd, leidt niet tot doorbreking van het appelverbod.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank standhoudt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep tegen de machtiging van de bewindvoerder wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

12/04804
Mr. L. Timmerman
Parket: 25 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
(hierna: [verzoeker])
tegen
Mr. A. Grollé, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder,
verweerder in cassatie
(hierna: de bewindvoerder)
1. Bij vonnis van 8 juli 2008 van de rechtbank Assen is de schuldsaneringsregeling op [verzoeker] van toepassing verklaard onder benoeming van mr. M. Alta tot bewindvoerder. De door [A] B.V. en Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek ingediende verzoeken tot faillietverklaring van [verzoeker] zijn op diezelfde datum op de voet van art. 3a Fw komen te vervallen. Bij beschikking van 1 oktober 2008 is mr. M. Alta per 1 oktober 2010 uit haar functie van bewindvoerder ontheven en is mr. A. Grollé benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
2. Bij brief van 2 maart 2010 heeft de plaatsvervangend rechter-commissaris de toenmalige bewindvoerder van [verzoeker], mr. M. Alta, verzocht de nodige stappen te ondernemen in verband met de verkoop van het huis van [verzoeker] aan zijn vader, [betrokkene 1] (hierna steeds: de vader van [verzoeker]). Volgens de rechter-commissaris, zo blijkt uit die brief, kon de conclusie geen andere zijn dan dat de litigieuze verkoop als een paulianeuze handeling moet worden aangemerkt, aangezien de verkoop onverplicht was, kort voor de faillissementsaanvragen en de aanvraag om toelating tot de schuldsaneringsregeling plaatsvond en een rechtshandeling als bedoeld in art. 43 lid 1 onder Pro 3 sub a Fw betrof.
3. Bij brief van 5 juli 2011 heeft de bewindvoerder laten weten dat [verzoeker] in beginsel had voldaan aan de verplichtingen die voor hem voortvloeiden uit de schuldsaneringsregeling. Niettemin meende de bewindvoerder dat de schuldsaneringsregeling nog niet kon worden beëindigd, omdat de boedel nog steeds in reconventie aan het procederen was in het geschil Green Comfort/Hotcare B.V. (hierna: Hotcare), welke reconventie met machtiging van de rechter-commissaris was voortgezet en verband hield met kort gedingen die waren gevoerd in verband met een dreigende verzilvering van een bankgarantie die door de vader van [verzoeker] was afgegeven. De bewindvoerder stelde voor de schuldsaneringsregeling te verlengen met een jaar ofwel zoveel eerder als duidelijk zou zijn welke onherroepelijke beslissing was genomen.
4. De rechter-commissaris heeft bij brief van 7 juli 2011 laten weten het voorstel van de bewindvoerder te onderschrijven aangezien de door de boedel in reconventie gevoerde procedure in de zaak Green Comfort/Hotcare nog afgewikkeld diende te worden alsmede de paulianeus lijkende verkoop van de woning van [verzoeker] aan zijn vader. De rechter-commissaris stelde voor om in het vonnis op te nemen dat op [verzoeker] gedurende de verlenging geen afdrachtplicht aan de boedel zou komen te rusten, maar hij alleen het bewindvoerdersalaris zou dienen te voldoen en om [verzoeker] en de bewindvoerder te horen ter zake van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
5. Op 22 augustus 2011 heeft de bewindvoerder verslag uitgebracht over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Niettegenstaande het feit dat [verzoeker] volgens hem had voldaan aan de op hem rustende schuldsaneringsregelingsverplichtingen, adviseerde de bewindvoerder om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen met een jaar vanwege de nog lopende procedure in reconventie tegen Hotcare en - naar ik begrijp, in aanvulling op hetgeen de bewindvoerder bij brief van 5 juli 2011 al had medegedeeld - omdat sprake was van mogelijk paulianeus handelen bij de verkoop van de woning van [verzoeker] aan zijn vader.
6. Van de zijde van [verzoeker] is verweer gevoerd tegen de voorgestelde verlenging van de schuldsaneringsregeling. Hotcare zou geen substantieel verhaal bieden en het zou niet denkbeeldig zijn dat de vennootschap, als zij in het ongelijk zou worden gesteld, in hoger beroep zou gaan, waarbij te voorzien viel dat er niet voor 8 juli 2012 arrest zou worden gewezen. Ter zitting heeft de advocaat van [verzoeker] voorgesteld de beslissing twee maanden aan te houden om te bezien of tot een schikking kon worden gekomen met de vader van [verzoeker].
7. Dat voorstel heeft de rechtbank Assen van de hand gewezen. Bij vonnis van 6 september 2011 heeft zij geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling thans niet kon worden beëindigd op de grond dat er sprake was van een mogelijke paulianeuze verkoop van de woning voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling en schuldeisers door deze verkoop mogelijk zijn benadeeld. In het geval dat de paulianeuze verkoop zou komen vast te staan, zou [verzoeker] niet aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling hebben voldaan. De rechtbank heeft de schuldsaneringstermijn verlengd met één jaar, derhalve eindigend op 8 juli 2012, of zoveel eerder als hieromtrent duidelijkheid zou bestaan. Wel is [verzoeker] per 8 juli 2011 ontheven van zijn verplichting om, behoudens het salaris van de bewindvoerder, het meerdere van zijn maandelijkse inkomen boven het vrij te laten bedrag aan de boedel af te dragen.
8. Op 10 december 2011 heeft de waarnemend rechter-commissaris, zo is althans te lezen in onder meer het cassatieverzoekschrift, de bewindvoerder een machtiging als bedoeld in art. 316 lid 2 Fw Pro verleend tot het aanhangig maken van een procedure tegen de vader van [verzoeker]. Deze beschikking bevindt zich niet tussen de stukken die in cassatie gefourneerd zijn.
9. Van het vonnis van de rechtbank Assen van 6 september 2011 is [verzoeker] in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 20 oktober 2011 heeft het hof Leeuwarden het vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Assen ter verdere afdoening. Het hof zag in de procedure tegen Hotcare B.V. en de mogelijk paulianeuze handeling van [verzoeker] geen gegronde redenen om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen:
"4. (...) Ten aanzien van de procedure tegen Hotcare BV is het hof van oordeel dat er andere mogelijkheden zijn dan verlenging om te zorgen dat bij een positieve uitkomst van de procedure voor [verzoeker] eventuele inkomsten voor de boedel worden veiliggesteld. Dit geldt te meer nu er een reële kans bestaat dat een onherroepelijke uitspraak in voornoemde procedure langer dan één jaar op zich zal laten wachten. Ten aanzien van de mogelijk paulianeuze verkoop van de woning overweegt het hof als volgt. Bij brief van 31 augustus 2009 heeft de voormalig bewindvoerder jegens de vader van [verzoeker] aangegeven de verkoop buitengerechtelijk te vernietigen. Vervolgens is er contact geweest tussen de voormalig bewindvoerder en de voormalig rechter-commissaris. Bij brief van 2 maart 2010 heeft de voormalig rechter-commissaris aan de voormalig bewindvoerder kenbaar gemaakt dat hij van oordeel is dat de verkoop van de woning op grond van artikel 42 Fw Pro (faillissementspauliana) partieel voor vernietiging in aanmerking komt. De voormalig rechter-commissaris heeft vervolgens de voormalig bewindvoerder verzocht de nodige verdere stappen te ondernemen. Gebleken is echter dat de voormalig bewindvoerder geen maatregelen heeft genomen of op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f, Fw een verzoek tot tussentijdse beëindiging heeft ingediend. De huidige bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat ook hij de zaak niet voortvarend heeft opgepakt toen hij als bewindvoerder in deze zaak werd benoemd. Het hof constateert dat de bewindvoerder ook na het vonnis waarvan beroep geen pogingen heeft ondernomen om tot een schikking met Hotcare BV en/of de vader van [verzoeker] te komen. Daarbij komt dat de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij nog geen toestemming heeft gevraagd om op grond van artikel 42 Fw Pro een procedure te starten. Dit gebrek aan voortvarendheid mag naar het oordeel van het hof niet op [verzoeker] worden afgewenteld.
5. (..) Nu overigens geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een verlenging rechtvaardigen, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Aangezien er nog geen verificatievergadering heeft plaatsgevonden, zal het hof de zaak terugverwijzen naar de rechtbank Assen voor verdere afdoening van de zaak."
10. Op 12 december 2011 heeft de bewindvoerder een dagvaarding aan de vader van [verzoeker] doen betekenen in verband met de gestelde paulianeuze verkoop van de woning.
11. Op 26 januari 2012 is de verificatievergadering gehouden. Blijkens het proces-verbaal heeft de rechter-commissaris "gelet op de inhoud van het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden" de rechtbank verzocht de zaak te agenderen voor een inhoudelijke beëindigingszitting. Vervolgens zijn twee renvooiprocedures gestart.
12.1 De bewindvoerder heeft bij brief van 8 februari 2012 een verslag ingediend, heeft daarin geconcludeerd dat [verzoeker] in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen toerekenbaar tekort is geschoten en heeft geadviseerd de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Aan dat verzoek heeft de bewindvoerder de volgende drie kwesties ten grondslag gelegd:
1) Na afloop van de zitting bij het hof zou de bewindvoerder door [verzoeker] bedreigd zijn.
2) [Verzoeker] zou terugvorderingsaanslagen huurtoeslag van de belastingdienst hebben ontvangen over de jaren 2008, 2009 en 2010, waarvan de bewindvoerder vermoedt dat deze zijn opgelegd omdat [verzoeker] bij de aanvraag toeslagen een te hoge huur heeft opgegeven, namelijk de huur inclusief de servicekosten.
3) [Verzoeker] zou, indien en voor zover de rechtbank op de hoogte was geweest van het paulianeuze handelen van [verzoeker] waarschijnlijk niet zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
12.2 Voor het geval de rechtbank het advies niet zou overnemen, diende volgens de bewindvoerder een beslissing onder zodanige voorwaarden en condities te worden genomen dat de bewindvoerder - zo nodig als vereffenaar - ongestoord de procedures inzake de pauliana tegen de vader van [verzoeker], inzake Hotcare BV en inzake de twee gestarte renvooi-procedures zou kunnen afronden. De slotuitdelingslijst diende volgens de bewindvoerder pas te worden gedeponeerd op het moment dat deze procedures onherroepelijk zouden hebben geresulteerd in rechterlijke beslissingen, omdat eerst dan alle activa in deze schuldsaneringsregeling vereffend zouden zijn.
13. Op de zitting van 14 februari 2012 heeft de rechtbank de zaak behandeld. Van de zijde van [verzoeker] is ter zitting alsmede bij brief van 28 februari 2012 de bedreiging van de bewindvoerder betwist (ad (1)), aangevoerd dat de belastingschulden boedelvorderingen zijn en niet zijn ontstaan door een toerekenbare tekortkoming van [verzoeker] (ad (2)) en aangevoerd dat [verzoeker] zowel bij de gemeentelijke kredietbank alsook bij de rechtbank voorafgaand aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling en aan de vorige bewindvoerder heeft medegedeeld dat hij het huis aan zijn vader had verkocht (ad (3)). Onder verwijzing naar het arrest van het hof Leeuwarden van 20 oktober 2011 heeft [verzoeker] bestreden dat de mogelijk paulianeuze verkoop reden kan zijn om de schone lei te onthouden. Mocht sprake zijn van nagekomen baten in verband met paulianeus handelen door [verzoeker], dan zouden deze kunnen worden verdeeld op grond van art. 194 Fw Pro.
14.1 Nadat de bewindvoerder nog schriftelijk heeft gereageerd op [verzoeker]s brief van 28 februari 2012, heeft de rechtbank Assen bij vonnis van 13 maart 2012 geoordeeld:
ad (1) onduidelijk is wat precies is gebeurd na afloop van de zitting bij het hof. Dit incident kan de rechtbank dan ook niet tot het oordeel brengen dat [verzoeker] zich niet aan zijn verplichtingen heeft gehouden en dat hem op die grond de schone lei dient te worden onthouden;
ad (2) over het bestaan, de oorzaak en de omvang van de schulden in verband met de terugvordering huurtoeslag is onduidelijkheid blijven bestaan. Deze onduidelijkheid kan niet in het nadeel van [verzoeker] uitvallen, temeer niet nu de bewindvoerder in diens verslag ten behoeve van de verificatievergadering heeft medegedeeld dat de belastingdienst deze vorderingen reeds in oktober 2010 als boedelvorderingen heeft ingediend;
ad (3) nu er onvoldoende voortvarendheid is betracht om de procedure terzake van de paulianeuze verkoop van de woning te starten, kan het mogelijke paulianeuze karakter van de woning geen aanleiding vormen om de schone lei te onthouden.
14.2 De rechtbank heeft vervolgens nog overwogen dat art. 356 lid 1 Fw Pro voorschrijft dat de bewindvoerder, zodra de uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw Pro in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld overgaat tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. Hieruit kan volgens de rechtbank niet anders worden afgeleid dan dat de slotuitdelingslijst zo spoedig mogelijk moet worden opgesteld en de bewindvoerder hiermee haast moet maken. Het wettelijke systeem is erop gericht om de schuldsaneringsregeling zo spoedig mogelijk na afloop van de schuldsaneringsregeling van drie jaar afgewikkeld te krijgen. Om die reden heeft de rechtbank terzake van de afwikkeling niet de door de bewindvoerder verzochte specifieke beslissing genomen, temeer nu in de procedure omtrent de verkoop van de woning onvoldoende voortvarendheid is betracht en de afronding ervan nog geruime tijd in beslag kan nemen. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk acht geslagen op par. 3.4.5. van de conclusie vóór HR 24 februari 2012, LJN BV0890.
14.3 In het dictum heeft de rechtbank vastgesteld "dat de schuldenaar niet in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekort geschoten" en heeft de rechtbank verstaan "dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege zal zijn geëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden" en "dat de bewindvoerder nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld overgaat tot het opmaken van een slotuitdelingslijst".
15. Bij beschikking van 16 mei 2012 heeft de waarnemend rechter-commissaris, voor zover hier van belang, het verzoek van [verzoeker] tot intrekking van de verleende toestemming/machtiging van de bewindvoerder om een civiele procedure tegen de vader van [verzoeker] te voeren en tot beëindiging van die procedure, afgewezen. Dat blijkt uit de beschikking van 11 oktober 2012 van de rechtbank Assen. De beschikking van 16 mei 2012 bevindt zich niet tussen de gefourneerde stukken. Op 19 mei 2012 is [verzoeker] hiervan in beroep gekomen.
16. Op 20 juni 2012 heeft een comparitie plaatsgevonden in de door de bewindvoerder tegen de vader van [verzoeker] aangespannen procedure. Blijkens het proces-verbaal hebben partijen ter comparitie een schikking bereikt, die is vastgelegd in het proces-verbaal. Overeengekomen is dat de vader van [verzoeker] een bedrag groot € 57.700,00 zou overmaken op de saneringsrekening van [verzoeker]. Van dat bedrag zou € 19.800,00 het bedrag betreffen dat de bewindvoerder was overeengekomen ter schikking met Hotcare B.V. Tegenover de betaling van laatstgenoemd bedrag zou Hotcare B.V. de afgegeven bankgarantie retourneren aan de Rabobank, waarna de bewindvoerder zo spoedig mogelijk en met medewerking en instemming van de rechter-commissaris voormeld bedrag zou overmaken aan Hotcare B.V. Als aan alle voorwaarden zou zijn voldaan, zou de procedure tussen de vader van [verzoeker] en de bewindvoerder worden geroyeerd en zou de bewindvoerder tevens royement verzoeken van de zaak tussen Hotcare B.V. en [verzoeker], waarbij de bewindvoerder ervan uitging dat hij bevoegd was royement van deze procedure in reconventie te verzoeken, nu hij die procedure had overgenomen.
17. Bij vonnis van 18 juli 2012 heeft de rechtbank Assen de zaak tussen Hotcare B.V. en [verzoeker], aan wiens zijde de bewindvoerder als raadsman was toegevoegd, verwezen naar de rolzitting van 15 augustus 2012 "teneinde partijen de gelegenheid te geven zich terzake uit te laten (..) over de vraag of in deze procedure, in conventie en/of reconventie, nog een beslissing genomen dient te worden".
18. Op 6 september 2012 heeft bij de rechtbank Assen de behandeling van onder meer het onder 15 van deze conclusie genoemde beroepsschrift plaatsgevonden.
19. In haar beschikking van 11 oktober 2012 heeft de rechtbank voor de feiten naar de - als gezegd, in het dossier ontbrekende - beschikking van 16 mei 2012 verwezen. De rechtbank heeft vervolgens aldus overwogen:
"Op 10 december 2011 heeft de waarnemend rechter-commissaris de bewindvoerder een machtiging, zoals bedoeld in art. 316, lid 2, van de Faillissementswet (verder aangeduid als Fwet), verleend tot het aanhangig maken van een procedure tegen [betrokkene 1] (de vader van appellant). Deze procedure is onder zaaknummer 90519 bij de rechtbank aanhangig gemaakt.
Het beroep richt zich er op dat die verleende toestemming/machtiging per omgaande wordt ingetrokken en/of de bewindvoerder zal worden bevolen de procedure onder zaaknummer 90519 per omgaande te doen beëindigen en daartoe zijn vorderingen in te trekken en aan de advocaat van de vader van appellant voor te stellen royement van de procedure te vragen.
In art. 315 lid Pro 2, Fwet is onder meer bepaald dat tegen een beschikking die overeenkomstig het bepaalde in art. 316, lid 2, Fwet is genomen geen hoger beroepen kan worden ingesteld. De vraag of appellant middels een beroepsprocedure tegen de afwijzing door de waarnemend rechter-commissaris van het aan hem gedane verzoek alsnog een intrekking c.q. beëindiging van de procedure onder zaaknummer 90519 kan bewerkstelligen, wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord. Immers kan het thans door appellant ingestelde beroep niet anders worden opgevat dan om alsnog een beroepsmogelijkheid tegen de verleende machtiging te bewerkstelligen hetgeen naar het oordeel van de rechtbank tegen het stelsel van de wet indruist. Dat sluit een beroep tegen de machtiging namelijk uit. Het onderhavige beroep kan dan ook niet anders worden opgevat dan een verkapt beroep tegen de verleende machtiging. Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien er sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Daartoe is echter niets gesteld noch is de rechtbank daarvan gebleken. De door appellant gestelde omstandigheid dat het gerechtshof te Leeuwarden in haar arrest van 20 oktober 2011 heeft vastgesteld dat de bewindvoerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Immers hoger beroep tegen de door de rechter-commissaris verleende machtiging is nog steeds uitgesloten.
Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard."
20. Tegen deze beschikking is [verzoeker] tijdig in cassatie gekomen. Op diezelfde datum is ter griffie van de Hoge Raad nog een verzoekschrift van [verzoeker] binnengekomen, gericht tegen een andere, eveneens door de rechtbank Assen op 11 oktober 2012 gewezen beschikking. In dat onder zaaknummer 12/04819 aanhangige cassatieberoep gaat het om de vraag of op juiste gronden toestemming is verleend aan de bewindvoerder om een schikking met Hotcare B.V. aan te gaan.
21. Het voorliggende cassatieberoep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ingevolge art. 315 lid 2 Fw Pro tegen een overeenkomstig het bepaalde in art. 316 lid 2 Fw Pro gegeven beschikking geen hoger beroep kan worden ingesteld. De rechtbank heeft daartoe vastgesteld dat het door [verzoeker] ingestelde beroep niet anders kan worden opgevat dan een verkapt beroep tegen de verleende machtiging en dat het stelsel van de wet een dergelijk beroep tegen een machtiging van de rechter-commissaris uitsluit. Het verkapte beroep is dan ook niet toegestaan, tenzij sprake zou zijn van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Dat is echter gesteld noch gebleken.
22. In cassatie wordt niet bestreden dat sprake is van een (verkapt) hoger beroep tegen een conform art. 316 lid 2 Fw Pro verleende machtiging. Wel bestrijdt het cassatiemiddel dat de rechtbank ten onrechte het appelverbod niet heeft doorbroken:
"nu de rechtbank de desbetreffende bepaling van art. 315 lid 2 Fw Pro ten onrechte in samenhang met art. 316 lid 2 Fw Pro heeft toegepast, nu door het vonnis van de rechtbank Assen de toepasselijkheid van art. 316 lid 2 Fw Pro is komen te vervallen door dat de vereffening van de boedel dient te gebeuren conform de bepalingen van titel III Fw, zodat de rechtbank de desbetreffende bepaling (i) ten onrechte, (ii) dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast, of (iii) ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, alsook fundamentele rechtsbeginselen geschonden, welke mede daarin bestaan dat de rechtspositie van verzoeker, in plaats van een definitieve beëindiging van de schuldsaneringsregeling aan hem zou zijn verleend, geschonden is doordat het schuldsaneringstraject, in strijd met de bedoeling en wettelijke regeling, voor onbepaalde tijd voort zal duren, mede gezien het feit dat het Gerechtshof te Leeuwarden in haar arrest van 20 oktober 2011 heeft vastgesteld dat de bewindvoerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan."
23. Daarbij wordt onder meer gesteld dat de onderhavige kwestie niet kan worden losgezien van de parallel lopende procedure en de met Hotcare B.V. getroffen schikking. Betoogd wordt dat de bewindvoerder, na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank Assen van 13 maart 2012, gehouden was onverwijld de slotuitdelingslijst op te maken. De bewindvoerder had nadien geen rechtshandelingen meer mogen verrichten tot het verkrijgen van additioneel actief voor de boedel. Met het in kracht van gewijsde gaan van het voornoemde vonnis zou de schuldsaneringsregeling immers "in materiële zin" beëindigd zijn. Verwezen wordt naar art. 356 lid 2 Fw Pro en HR 24 februari 2012, 12/00183 (CW2626).
24. De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Op grond van art. 315 lid 2 Fw Pro kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een beschikking die is genomen overeenkomstig - onder meer - art. 316 lid 2 Fw Pro. In het voorliggende cassatieberoep wordt aangevoerd dat de rechtbank het appelverbod had moeten doorbreken. Een appelverbod kan echter slechts worden doorbroken indien sprake is van een schending van een zo fundamentele rechtsregel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, of als de rechter-commissaris met zijn beslissing een bepaling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten dan wel buiten het toepassingsgebied van de bepaling is getreden. Uit niets blijkt - anders dan is gesteld -dat zo een fundamentele rechtsregel is geschonden. Ook valt - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet in te zien waarom de rechter-commissaris art. 315 en Pro/of art. 316 Fw Pro ten onrechte buiten toepassing zou hebben gelaten, noch op welke wijze de rechter-commissaris buiten het toepassingsgebied van die bepalingen zou zijn getreden.
25. Voor zover de machtiging van de rechter-commissaris door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 13 maart 2012 al aangetast zou kunnen zijn - des neen -, dan zou dat overigens ingevolge art. 316 lid 2 juncto Pro art. 72 lid 1 Fw Pro in de voorliggende kwestie niet tot gevolg hebben dat de getroffen regeling aantastbaar is, doch enkel dat de bewindvoerder uit dien hoofde aansprakelijk zou kunnen zijn. Om die reden rijst ook de vraag of [verzoeker] wel belang heeft bij dit cassatieberoep.
26. Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G