ECLI:NL:PHR:2013:BZ1363
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afstand van recht op advocaatbijstand tijdens politieverhoor jeugdige verdachte
In deze zaak stond centraal of een jeugdige verdachte uitdrukkelijk afstand moest doen van zijn recht op bijstand door een advocaat tijdens het politieverhoor. De verdachte was veertien jaar oud en werd verdacht van diefstal en poging daartoe. Hij had voorafgaand aan het verhoor overleg gevoerd met een advocaat en werd tijdens het verhoor bijgestaan door zijn moeder als vertrouwenspersoon. Er werd niet expliciet aangegeven dat de verdachte verhoorbijstand van een advocaat wenste.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van de verdachte niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat geen expliciete afstand was gedaan van het recht op advocaatbijstand tijdens het verhoor. Het hof oordeelde echter dat de verdachte stilzwijgend afstand had gedaan, gelet op het voorafgaande overleg en de aanwezigheid van de vertrouwenspersoon, en dat er geen sprake was van een vormverzuim.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en eerdere Nederlandse rechtspraak. Volgens de Hoge Raad moet een verdachte vóór het eerste verhoor worden gewezen op het recht op raadpleging van een advocaat. Bij jeugdige verdachten geldt daarnaast het recht op bijstand door een advocaat of vertrouwenspersoon tijdens het verhoor. Stilzwijgende afstand van dit recht is mogelijk indien deze ondubbelzinnig is.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte zijn consultatierecht had uitgeoefend en stilzwijgend afstand had gedaan van verhoorbijstand door een advocaat. De verklaring van de verdachte mocht daarom als bewijs worden gebruikt. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verdachte stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht op advocaatbijstand tijdens het verhoor.