ECLI:NL:PHR:2013:BY8594

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05340
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 288 lid 1 onder a FwArt. 292 lid 6 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid betalingsonmacht

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat hij de schuld niet te goeder trouw was aangegaan. Het hof 's-Gravenhage bevestigde dit oordeel en voegde daaraan toe dat niet aannemelijk was dat verzoeker niet in staat zou zijn zijn schulden voort te zetten te betalen.

Verzoeker stelde cassatie in tegen het arrest van het hof, waarbij hij een wijziging in zijn aflossingscapaciteit aanvoerde. De Hoge Raad oordeelde dat deze wijziging onvoldoende was onderbouwd en dat het op verzoeker zelf is om contact te zoeken met de bank omtrent zijn gewijzigde situatie.

Het cassatieberoep strandde op art. 80a van het Wetboek van Rechtsvordering, dat bepaalt dat cassatie niet-ontvankelijk is indien het beroep geen voldoende belang dient. De Hoge Raad verklaarde het beroep dan ook niet-ontvankelijk, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

12/05340
Mr. L. Timmerman
Parket: 21 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
Bij verzoekschrift van 4 januari 2012 heeft [verzoeker] om toelating tot de schuldsaneringsregeling verzocht. Bij vonnis van 15 juni 2012 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek afgewezen op de grond dat [verzoeker] de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank niet te goeder trouw is aangegaan. Op het daarvan door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het hof 's-Gravenhage bij arrest van 13 november 2012 het vonnis bekrachtigd. Dat doet het hof niet alleen vanwege de ontbrekende goede trouw, maar omdat niet aannemelijk zou zijn geworden dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden (art. 288 lid 1 onder Pro a Fw). Tegen dit arrest heeft [verzoeker] bij verzoekschrift d.d. 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen - cassatie ingesteld. Het cassatieberoep loopt stuk op art. 80a RO. Het hof heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] niet in staat is zijn schulden af te lossen. Voor zover de (in het geheel niet gestaafde) in cassatie gestelde wijziging in de aflossingscapaciteit van [verzoeker] al juist is, ligt het op de weg van [verzoeker] om in contact met de bank te treden vanwege die wijziging. Hoe dan ook, die wijziging is onvoldoende reden om het arrest van het hof te casseren. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G