ECLI:NL:PHR:2013:BY8306

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05301
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 426a lid 1 RvArt. 426a lid 2 RvArt. 12 lid 2 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over alimentatie en arbeidsongeschiktheid vrouw

Partijen zijn in 1994 gehuwd en in 2009 gescheiden. De rechtbank stelde de kinderalimentatie en partneralimentatie vast, waarbij rekening werd gehouden met de betaling van vaste lasten door de man voor twee woningen. In hoger beroep wijzigde het hof deze bedragen en periodes.

De man stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, met klachten over het oordeel van het hof omtrent de arbeidsongeschiktheid van de vrouw en de draagkrachtberekening van de man. De vrouw voerde verweer en betoogde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is wegens onvoldoende precisie in de middelen en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vrouw haar arbeidsongeschiktheid voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook is het oordeel van het hof over de draagkrachtberekening niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.

Conclusie

10/05301
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Parket, 27 november 2012
CONCLUSIE inzake:
[De man],
verzoeker tot cassatie,
adv.: mr. A. Jankie,
tegen
[De vrouw],
verweerster in cassatie,
adv.: mr. H.J.W. Alt
Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Partijen (hierna: de vrouw resp. de man) zijn op 22 juli 1994 met elkaar gehuwd. Op het verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van 17 juli 2009 (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 31 juli 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2. Bij genoemde beschikking heeft de rechtbank de door de man met ingang van 31 juli 2009 maandelijks verschuldigde kinderalimentatie als volgt bepaald: gedurende de periode dat de man de lasten van zowel de echtelijke woning als de woning in Tsjechië (hierna: de vakantiewoning) voldoet op een bedrag van € 263,- ; gedurende de periode dat de man enkel de vaste lasten van de echtelijke woning voldoet op een bedrag van € 390,30; gedurende de periode dat de man enkel de vaste lasten van de vakantiewoning voldoet op een bedrag van € 363,- per maand, en vanaf het moment dat de man de vaste lasten van zowel de echtelijke woning als de vakantiewoning niet meer voldoet op een bedrag van € 390,30 per maand. Voorts heeft de rechtbank ter zake van de door de man verschuldigde partneralimentatie bepaald dat de man met ingang van de dag dat hij de vaste lasten van de echtelijke woning niet meer voldoet (doch niet eerder dan 31 juli 2009) gedurende de periode dat de man de lasten van de vakantiewoning nog voldoet geen bijdrage kan uitkeren, en dat hij vanaf het moment dat hij ook de lasten van de vakantiewoning niet meer voldoet een bijdrage zal uitkeren van € 263,- per maand.
3. Op het hoger beroep van de man en het incidenteel appel van de vrouw heeft het hof bij beschikking van 8 september 2010 de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigd en de kinderalimenatie met ingang van 1 november 2008 tot 4 januari 2010 op een maandelijks bedrag van € 263,-, en vanaf 4 januari 2010 op een bedrag van € 390,- bepaald. Voorts heeft het hof de partneralimentatie met ingang van 31 juli 2009 tot 4 januari 2010 op een maandelijks bedrag van € 296,- en vanaf 4 januari 2010 op een bedrag van € 80,- bepaald.
4. De man is bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 8 december 2010, van de beschikking van het hof in cassatie gekomen met twee middelen. Op 21 december 2010 is namens de man een aanvullend verzoekschrift ingediend.(1) De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het ingestelde beroep primair niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair te verwerpen.
5. Aan haar beroep op niet-ontvankelijkheid legt de vrouw ten grondslag dat noch in het cassatierekest noch in het aanvullend rekest een advocaat bij de Hoge Raad wordt gesteld (art. 426a lid 1 Rv). Dit betoog faalt, nu zowel in het cassatierekest (p. 5 onderaan) als in het aanvullend cassatierekest (aanhef en p. 6) wordt vermeld dat mr. A. Jankie - die het (aanvullend) rekest ondertekent en indient - advocaat te Den Haag is resp. in 's-Gravenhage kantoor houdt en mr. A. Jankie derhalve op grond van het ten tijde van de indiening van de rekesten geldende art. 12 lid 2 Advocatenwet Pro tevens advocaat bij de Hoge Raad was.
6. Middel I klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stel- en bewijsplicht van de vrouw omtrent haar medische situatie en haar daarmee samenhangend onvermogen om bij te dragen in de behoefte van het kind. In de toelichting wordt (onder meer) aangevoerd dat de vrouw haar arbeidsongeschiktheid niet met stukken (medische stukken of een beschikking van het UWV) heeft onderbouwd.
7. Dit middel voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu het niet met de vereiste precisie en bepaaldheid aangeeft tegen welke rechtsoverweging(en) het zich richt en waarom in die rechtsoverweging(en) het recht is geschonden.(2) Voor zover in de toelichting wordt opgekomen tegen overwegingen van de rechtbank is dat tevergeefs.(3)
Gelet op de hiervoor onder 6 aangehaalde toelichting richt het middel zich vermoedelijk tegen rov. 9, waarin het hof in het kader van de (betwiste) behoeftigheid van de vrouw respondeert op grief 3 van de man (aangehaald in rov. 8), volgens welke de vrouw haar arbeidsongeschiktheid niet nader met stukken heeft onderbouwd. Het oordeel van het hof in rov. 9 komt er op neer dat het onvermogen van de vrouw om meer te gaan verdienen voldoende aannemelijk is geworden op grond van de overgelegde stukken, het verhandelde ter zitting en het - niet door de man betwiste - ziektebeeld van de vrouw. Anders dan het middel betoogt, heeft het hof dus niet miskend dat op de vrouw de stelplicht en eventuele bewijslast rust van haar arbeidsongeschiktheid. Voor zover wordt bedoeld met een motiveringsklacht op te komen tegen 's hofs feitelijk oordeel faalt deze eveneens. In het licht van de gedingstukken is het oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
8. Middel II voldoet evenmin aan de daaraan te stellen eisen van bepaaldheid en precisie en kan reeds op die grond niet tot cassatie leiden. Ook dit middel richt zich ten onrechte mede tegen overwegingen van de rechtbank.(4) Bovendien stuiten de in het middel begrepen klachten af op het volgende.
9. Volgens de eerste klacht is het hof ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat de man na zijn vertrek uit de echtelijke woning tot januari 2010 de vaste lasten van de echtelijke woning is blijven betalen. Deze klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag, nu het hof in rov. 14 (bij de vaststelling van de draagkracht van de man) en rov. 16 (bij de vaststelling van de kinder- en partneralimentatie) expliciet rekening heeft gehouden met die lasten tot 4 januari 2010.
In de toelichting wordt voorts nog geklaagd dat het hof is voorbijgegaan aan het feit dat de man de vaste lasten door de vrouw terugbetaald wilde zien. Deze klacht onbeert eveneens feitelijke grondslag: in rov. 3 heeft het hof vastgesteld dat de man in appel heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de vaste lasten van de beide woningen terugbetaalt, waarna het hof dit verzoek in rov. 17 heeft afgewezen.
10. De tweede klacht van middel II komt kennelijk op tegen de beslissing van het hof in rov. 11 dat het bij de draagkrachtbepaling van de man geen acht zal slaan op de door de man bij brief (zijnde het origineel van de fax van 7 juni 2010) aan het hof toegezonden draagkrachtberekening. Geklaagd wordt dat het hof aan die beslissing ten onrechte ten grondslag heeft gelegd de vaststelling dat noch het hof, noch de wederpartij vóór de mondelinge behandeling (op 18 juni 2010) van bedoeld stuk heeft kunnen kennisnemen. De klacht faalt reeds omdat geen feitelijke grondslag wordt gegeven voor de stelling dat de interne organisatie van het hof ertoe heeft geleid dat het stuk niet tijdig onder de aandacht van het hof is gebracht en ook overigens niet wordt aangegeven waaruit zou blijken dat voormelde vaststelling van het hof onbegrijpelijk is. Ik wijs er in dit verband op dat het hof, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld dat de draagkrachtberekening naar de eigen stelling van de man per brief (die op 7 juni 2010 ook is gefaxt en die verwijst naar meerdere bijlagen) aan het hof is toegezonden.
11. Nu de in de middelen aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 De aanvulling betreft uitsluitend de vermelding van verzoeker en verweerster in de aanhef van het rekest. Voorts wordt in het lichaam van het aanvullend rekest voor partijen de aanduiding "verzoeker in cassatie" en "verweerder in cassatie" gebruikt (in plaats van de aanduiding "de man" en "de vrouw").
2 HR 5 november 2010, LJN: BN6196, RvdW 2010, 1328.
3 De tekst van (de toelichting bij) dit middel is voor een gedeelte identiek aan die van (de toelichting op) grief 3.
4 De tekst van (de toelichting bij) dit middel is voor een gedeelte identiek aan die van (de toelichting op) de grieven 3 en 4.