AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt verwerping noodweer en ontvankelijkheid bij belaging
De Hoge Raad heeft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling en belaging. Het hof oordeelde dat het beroep op noodweer faalt omdat verdachte de confrontatie met het slachtoffer heeft uitgelokt door agressief en opdringerig gedrag, mede gezien de kwetsbare positie van het slachtoffer die gehandicapt is.
Daarnaast werd het verweer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van een formele klacht verworpen. Het hof stelde vast dat uit de aangifte en het verzoek tot vervolging voldoende bleek dat het slachtoffer de vervolging wenste, wat volstaat voor ontvankelijkheid.
De bewezenverklaring van belaging werd als toereikend gemotiveerd beoordeeld, waarbij het hof rekening hield met de aard, duur, frequentie en intensiteit van het gedrag van verdachte, en de impact daarvan op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer. Het hof legde een taakstraf op en kende een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij.
De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. De zaak betreft een jarenlange burenruzie waarbij verdachte door zijn gedrag de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer ernstig heeft aangetast.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte wegens mishandeling en belaging met verwerping van noodweer en ontvankelijkheid Openbaar Ministerie.
Conclusie
Nr. 11/03145
Mr. Vellinga
Zitting: 23 oktober 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens 1. "Mishandeling", 2. "Belaging" en 5. "Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 500,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voor genoemd bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel betreft feit 1 en klaagt dat het Hof het beroep op noodweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
4. Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 25 november 2008 te Vleuten, gemeente Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het gezicht, althans op het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
5. Met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde houdt de aanvulling als bedoeld in artikel 365a Sv als bewijsmiddelen in:
"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 45 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer]:
Op dinsdag 25 november 2008, omstreeks 14.05 uur, arriveerde ik thuis bij mijn woning. Ik kwam van mijn werk en reed in mijn bus, merk Hyundai, type H200, kleur blauw (...). Ik parkeerde mijn bus in de voor mij bestemde invalidenparkeerplaats voor mijn woning. Ik zag niemand en op het moment dat ik de portierdeur opende zag ik de mij bekende [verdachte] staan. (...) De portierdeur stond open en ik zag dat [verdachte] voor mij ging staan. Hij stond tussen de geopende portierdeur en de auto op zodanige wijze dat ik niet uit kon stappen. Hij vroeg aan mij: "Bij welke dokter ben jij geweest met [betrokkene 1]?" Hij vroeg dit op een opdringerige manier en agressief. (...) Hij stond tegen de auto aan toen hij dit vroeg en daardoor kon ik niet weg. Ik kreeg niet de kans om te antwoorden en hij bleef die vraag maar herhalen. (...) Op dat moment ging [verdachte] weer dezelfde vragen stellen. Ik vroeg aan hem om weg te gaan. Op dat moment zag ik aan zijn gezicht dat hij wilde slaan. Ik zag dat zijn ogen begonnen te rollen en ik zag dat hij zijn borst vooruit bracht de auto in. (...) Ik legde een kruk op mijn schoot. Ik legde hem met de armgreep richting [verdachte]. (...) Ik zag dat hij rood in zijn gezicht werd en in een keer zag ik dat hij voorover dook en een hand tot gebalde vuist maakte. Hij kwam vervolgens met zijn hele bovenlichaam mijn auto in en ik zag dat hij die gebalde vuist boven zijn hoofd hield. Ik dook richting de passagiersplaats en op dat moment stond die kruk als een soort spie rechtop en ik zag dat hij bovenop die kruk viel. (...) Ik was inmiddels recht gaan zitten (...). Ik zag dat hij op mij afkwam lopen met een gebalde vuist (...) die hij recht voor zich hield. (..) Ik zag dat hij kennelijk en opzettelijk zijn rechtervuist met snelheid naar de linkerzijde van mijn hoofd bracht. Hij sloeg met kracht op de linkerzijde van mijn gezicht ter hoogte van mijn slaap. Ik voelde dat de vuist mij raakte en voelde daar net alsof er een kras in mijn gezicht werd gemaakt. Ook voelde ik meteen op die plek pijn (...).
Ik, verbalisant, zag ten tijde van het opnemen van de aangifte dat de aangever op zijn linkerslaap, net voor de bakkenbaard, een verticaal sneetje had van ongeveer 1,5 centimeter lang en 1 mm breed. Tevens zag ik dat hij op zijn linkerjukbeen 4 kleine schaafwondjes had.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 55 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Ter plaatse zag ik collega [slachtoffer] staan ter hoogte van het perceel [a-straat] 4 te Vleuten. Ik sprak hem aan en zag dat hij trilde. (...) Collega [slachtoffer] heeft twee krukken om zich voort te kunnen bewegen, ik zag dat hij dermate trilde dat hij moeite had om te blijven staan. Ik zag tevens dat hij rode schrale plekken onder zijn linkeroog had.
(...)
Aan het politiebureau te Vleuten legitimeerde verdachte [verdachte] zich als zijnde: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], wonende aan de [a-straat] perceel 5 te Vleuten.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 92 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL.0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte:
Ik heb mijn buurman [slachtoffer] bij zijn auto benaderd. Dit was op dinsdag 25 november 2008 omstreeks 14.00 uur aan de [a-straat] in Utrecht (naar het hof begrijpt: gemeente Utrecht). (...) Ik stelde hem nog een keer de vraag: "Joh, bij welke dokter ben je geweest voor [betrokkene 1]." Ik zag en voelde dat ik een kruk in mijn gezicht kreeg. (...) Ik sloeg hem gelijk. Ik deed dit opzettelijk en met kracht. Ik deed dit een keer. Ik sloeg hem met mijn rechter gebalde vuist in zijn gelaat."
6. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte liep naar aangever om hem iets te vragen, waarna hij met de kruk van aangever zou zijn geslagen. Verdachte zou aangever vervolgens uit zelfverdediging hebben teruggeslagen, en daarom ontslagen dienen te worden van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.
Aangever heeft verklaard dat verdachte op 25 november 2008 in het portier van de auto van aangever kwam staan toen hij zijn auto had geparkeerd. Aangever kon zijn auto niet verlaten en verdachte bracht zijn borst op dat moment vooruit. Aangever pakte zijn kruk zodat hij zich, indien nodig, kon verweren tegen verdachte. Verdachte kwam vervolgens met gebalde vuist de auto in waarna hij met zijn gezicht op de kruk viel dan wel door aangever bij zijn verdediging is geraakt.
Ingevolge HR 28 maart 2006, NJ 2006, 509 heeft te gelden dat gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer onder omstandigheden in de weg staan kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Een dergelijk geval doet zich hier voor. Als er al sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever [slachtoffer] waarop verdachtes slaan van [slachtoffer] een reactie was, dan geldt hier dat de eerdere gedraging van verdachte aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat. De verhouding tussen verdachte en aangever was op 25 november 2008 een gespannen verhouding wat reeds blijkt uit de bewezenverklaring van feit 2. Verdachte had aangever, die lichamelijk gehandicapt is en destijds ook al was en zittend in zijn auto en op het punt van uitstappen geen kant op kon, in die situatie niet zo nabij behoeven te komen. Het hof is van oordeel dat verdachte niet naar de auto van aangever toe had behoren te gaan. Door aangever aan te spreken terwijl hij in de auto zat, in de context van de jarenlange burenruzie waarbij verdachte wist dat de verhoudingen gespannen lagen, heeft verdachte zichzelf in de situatie gebracht waarin een beroep op noodweer niet anders dan kan falen.
Het verweer wordt verworpen."
7. Het Hof verwijst bij de verwerping van het beroep op noodweer naar het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2006, NJ 2006, 509. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer onder omstandigheden in de weg kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie.
8. Ten deze achtergrond moet het oordeel van het Hof aldus worden begrepen dat ook al zou [slachtoffer] verdachte als eerste hebben geslagen, aan de verdachte toch geen beroep op noodweer toekomt omdat verdachte kennelijk uit was op een confrontatie en de reactie van [slachtoffer] op zijn gedrag over zichzelf heeft afgeroepen. Dat oordeel heeft het Hof gebaseerd op het feit dat verdachte, toen [slachtoffer], die gehandicapt was en zich met behulp van krukken moest voortbewegen, zijn auto parkeerde op de invalidenparkeerplaats voor zijn woning en het portier van zijn auto opende om deze te verlaten, tussen het geopende portier en de auto ging staan op zodanige wijze dat [slachtoffer] niet kon uitstappen en op opdringerige en agressieve wijze vroeg naar welke dokter [slachtoffer] met [betrokkene 1] was geweest, deze vraag steeds herhaalde zodat [slachtoffer] daarop niet kon antwoorden, met zijn ogen rolde en zijn borst vooruit in de auto bracht.(1)
9. In aanmerking genomen dat, zoals het Hof overweegt, dit gedrag van verdachte moet worden gezien tegen de achtergrond van een jarenlange burenruzie en dat, zoals het Hof kennelijk mede in zijn oordeel heeft betrokken, een in zijn bewegingsvrijheid beperkte gehandicapte als [slachtoffer] gelet op zijn door zijn handicap beperkte weerbaarheid zich eerder dan iemand die niet gehandicapt is bedreigd zal voelen en daardoor eerder tot afweer zal worden gebracht dan iemand wiens weerbaarheid niet door een handicap beperkt is, geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd.
10. De verwerping van het verweer is dus toereikend gemotiveerd.
11. Het middel faalt.
12. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 in haar vordering kan worden ontvangen.
13. Het bestreden arrest houdt onder het kopje "de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" het volgende in:
"Artikel 285b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat belaging slechts kan worden vervolgd op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. Het hof overweegt daaromtrent dat, hoewel geen separaat klachtformulier is opgemaakt, uit de aangifte volgt dat aangever heeft verzocht een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en de verdachte te vervolgen. Naar het oordeel van het hof volgt daaruit voldoende dat aangever de vervolging van verdachte heeft verzocht. Het openbaar ministerie is om die reden ontvankelijk in de vervolging."
14. Het Hof heeft kennelijk het oog op de door [slachtoffer] bij de politie afgelegde verklaring van 25 november 2008, voor zover van belang, inhoudende:
"Ik doe hierbij aangifte van belaging.
De verdachte maakt kennelijk opzettelijk stelselmatig inbreuk op mijn persoonlijke levenssfeer door mij voortdurend zowel thuis als buiten op straat lastig te vallen.
Hierdoor word ik gedwongen om aangifte te doen. Dit jaagt mij vrees aan.
Voor alle duidelijkheid wil ik van de volgende artikelen aangifte doen tegen mijn overbuurman genaamd [verdachte], wonende [a-straat] 5 te Vleuten
De artikelen zijn:
[...]
Art. 285b, Belaging.
1. Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.
Ik verzoek u een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en de verdachte te vervolgen."
15. Ingevolge art. 285b, tweede lid, Sr is het misdrijf van belaging slechts op klacht vervolgbaar. De klacht bestaat ingevolge art. 164, eerste lid, Sv uit een aangifte met verzoek tot vervolging (Hoge Raad 27 maart 2012, LJN BV6662).
16. In zijn arrest van 3 juli 2012, LJN BW9970, waarin een opsporingsambtenaar proces-verbaal had opgemaakt van een jegens hem begaan strafbaar feit en daarin een verzoek tot vervolging had gedaan, maar dit verzoek niet had ingediend bij een tot het in ontvangst nemen van een klacht bevoegd persoon, overwoog de Hoge Raad:
"2.6. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat in het onderhavige geval de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het (impliciet) subsidiair tenlastegelegde misdrijf 'eenvoudige belediging', aangezien de klachtgerechtigde niet een klacht heeft ingediend op de wijze als voorzien in art. 164 SvPro, faalt het. Het bepaalde in art. 164 SvPro strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Blijkens zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat de in de bewezenverklaring genoemde [A] in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 5 mei 2007 de wens te kennen heeft gegeven dat tegen de verdachte een vervolging zou worden ingesteld. Hierin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat genoemde [A] een klacht in de zin van art. 164, eerste lid, Sv heeft gedaan. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk."
17. Het Hof heeft uit de hiervoor onder 14 weergegeven verklaring afgeleid dat [slachtoffer] wenste dat tegen verdachte vervolging zou worden ingesteld. Dat oordeel is gezien het daarin opgenomen uitdrukkelijke verzoek de verdachte te vervolgen niet onbegrijpelijk. Zoals uit laatstgenoemd arrest volgt staat aan ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet in de weg dat die aangifte niet is gedaan bij een tot het ontvangen van een klacht bevoegde ambtenaar. Het oordeel van het Hof over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
18. Overigens kan, in aanmerking genomen dat verdachte in hoger beroep is verschenen bijgestaan door een advocaat, niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd over het ontbreken van een klacht.(2)
19. Het middel faalt.
20. Het derde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2.
21. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op tijdstippen in de periode van 29 september 2008 tot en met 25 november 2008 te Vleuten, gemeente Utrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk [slachtoffer], in elk geval die ander, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen aldaar met grote regelmaat - zich opgehouden in de nabijheid van de woning van [slachtoffer]."
22. Met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde houdt de aanvulling als bedoeld in artikel 365a Sv als bewijsmiddelen in:
"4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 21 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer]:
In 2004 kwamen er nieuwe mensen schuin tegenover ons wonen op het perceel [a-straat] 5 te Vleuten. Dat was een vrouw genaamd [betrokkene 2] met haar dochter [betrokkene 1], die toen ongeveer acht jaar oud was. (...) Sinds twee jaar heeft [betrokkene 2] een relatie met [verdachte]. (...) Sinds maandag 29 september 2008 maakt [verdachte] opzettelijk stelselmatig inbreuk op mijn persoonlijke levenssfeer door mij voortdurend zowel thuis als buiten op straat lastig te vallen. (...)
Op donderdag 16 oktober 2008 sprak [verdachte] mij aan en zei dat ik tegen de auto van zijn [betrokkene 2] aan gereden was. Vanaf die dag staat [verdachte] (...) dagelijks mij op te wachten als ik terug kom van mijn werk. (...) Op donderdag 23 oktober 2008 kwam ik thuis en werd ik weer gecontroleerd door [verdachte] tijdens het inparkeren. Hij stond zeer kort achter mijn auto (...). Elke dag word ik lastig gevallen bij het inparkeren door [verdachte] (...). Als ik binnen ben zie ik dat hij rond mijn auto loopt en dat hij vaak net buiten mijn erf staat (...).
Op donderdag 6 november 2008 vond er bij [betrokkene 1] thuis een gesprek plaats tussen haar moeder, [verdachte], jeugdzorg en een andere gesprekspartner. (...) [verdachte] kwam met de voornoemde betrokkenen mijn erf op en ondanks dat ik aan hem 3x vorderde om weg te gaan, ging hij niet. Op vrijdag 21 oktober (naar het hof begrijpt: november) 2008 zag en hoorde ik dat hij drie kwartier gas gaf terwijl hij in zijn stilstaande auto zat. Ook hoorde ik hem toeteren en zag dat hij wel drie keer mijn erf op kwam lopen terwijl hij dat niet mocht.
Door het gedrag van [verdachte], (...) het feit dat hij ons in de gaten houdt en het dagelijks controleren bij het inparkeren, het op mijn erf lopen en bewegingen maken om onze aandacht te trekken, zijn [betrokkene 3] en ik een zenuwinzinking nabij.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 35 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3], afgelegd op 26
november 2008:
Sinds 1980 ben ik getrouwd met mijn huidige man [slachtoffer] (..). Een jaar of vier geleden kwamen er nieuwe mensen wonen tegenover ons op nummer 5. Dat was een vrouw genaamd [betrokkene 2] en haar dochter [betrokkene 1] (...). Op een gegeven moment kreeg [betrokkene 2] een vriend genaamd [verdachte]. (...) Hij houdt ons constant in de gaten. Hij let op wanneer [slachtoffer] zijn bus inparkeert en zit op de motorkap van de auto van [betrokkene 2] naar ons te kijken. Ook staat hij voor het raam op het trottoir en maakt dan een beweging met zijn handen van: kom maar op. (...) Dit alles heeft grote invloed op ons leven.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 41 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op donderdag 20 november 2008 bevond ik mij in Vleuten toen inspecteur van politie te Utrecht, [verbalisant 1], naar mij toe kwam met de vraag of ik de collega van het Districtelijk Informatie Knooppunt, [slachtoffer], zou kunnen begeleiden naar zijn woning. (...) Omstreeks 13.42 uur kwam ik aan bij de woning van collega [slachtoffer] aan de [a-straat]. Ik betrad de woning via de achterdeur. (..) [Betrokkene 3] wees me een plek aan in de badkamer van waar ik de straat zou kunnen zien. (...) Ik zag de woningen met nummers 1, 3 en 5. (...) Ik zag dat bij de woning van nummer 5 de voordeur open stond. In de deuropening stond een manspersoon. Deze persoon stond, vanuit mij gezien, tegen de linkerkant van het kozijn geleund met zijn armen over elkaar en benen gekruisd. Deze persoon droeg een witte schildersbroek en een lichtgrijze trui. (..) Ik heb een aantal minuten gekeken vanuit het badkamerraam. (...) De bewoners op nummers 3 en 5 bleven staan wachten voor het raam en in de deuropening. (...) Na een paar minuten hoorde ik een voertuig de straat in rijden. (...) Ik zag een blauwe personenauto parkeren op de invalidenparkeerplaats voor de woning van collega [slachtoffer]. Ik zag dat zijn vrouw, die ik zojuist had ontmoet, naar buiten kwam om van collega [slachtoffer] zijn tas aan te pakken. Ik zag tegelijkertijd dat de bewoner van nummer 5 naar de achterkant van de personenauto liep (...). Ik zag dat collega [slachtoffer] vervolgens uit zijn auto stapte en richting zijn woning ging. De buurman van nummer 5 stond op dat moment nog bij de achterkant van het voertuig van collega [slachtoffer]. (...) Toen college [slachtoffer] en zijn echtgenote naar binnen waren en de voordeur was gesloten zag ik dat de bewoner van nummer 5 nog even in de deuropening bleef staan van zijn woning. (...)
7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, (als bijlage op p. 78 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226) te weten de aanzegging wederrechtelijkheid belaging voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[Slachtoffer] wenst vanaf 17 oktober 2008 op geen enkele wijze contact meer te hebben met [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], wonende te Vleuten, [a-straat] 5. Deze brief werd overhandigd door de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan [verdachte] overhandigd op 17 oktober 2008.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 94 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL0915/08-019226), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte :
Ongeveer twee jaar geleden ben ik gaan samenwonen aan de [a-straat] 5 in Vleuten met [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] woonde daar al met haar dochter [betrokkene 1].(...)
Ik sta bij de auto van [betrokkene 2], die achter de invalidenparkeerplaats van [slachtoffer] staat. Ik weet wel zeker dat dit hinderlijk gedrag is om daar elke dag te staan."
23. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:
"De raadsvrouw heeft bepleit dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte aangever heeft gefilmd of gefotografeerd. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat het door verdachte onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde verblijven in de nabijheid van de woning van aangever, niet wederrechtelijk is geweest, omdat verdachte in de nabijheid van die woning woont, een eigen recht op een persoonlijke levenssfeer heeft en daar gewoon mag zijn. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de tenlastegelegde feitelijke handelingen objectief beschouwd niemand kunnen dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Voorts was het opzet van de verdachte niet gericht op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, maar op het te leveren bewijs bij een te verwachten aanrijding omdat hij de ervaring had dat aangever bij het parkeren van zijn (aangevers) auto nog wel eens tegen verdachtes auto botste.
Uit het dossier volgt dat verdachte aangever dagelijks opwachtte wanneer aangever thuis kwam. Verdachte hield dan nauwlettend in de gaten hoe aangever zijn auto parkeerde. Ook zwaaide verdachte geregeld als aangever thuiskwam en liep hij het erf van aangever op terwijl dit niet mocht op grond van de 'aanzegging wederrechtelijkheid belaging' die op 17 oktober 2008 aan verdachte is uitgereikt. Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte aangever stelselmatig heeft gefilmd of gefotografeerd. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de handelingen die verdachte heeft verricht zijn aan te merken als een wederrechtelijke, stelselmatige, opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Van belang daarbij is de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Het door de delictsomschrijving in de woorden 'persoonlijke levenssfeer' te beschermen rechtsgoed is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. Een gedraging die stelselmatig op dat grondrecht inbreuk maakt zodanig dat de gerechtigde niet langer in het ongestoorde genot van zijn grondrecht is, kan belaging opleveren. Door aangever dagelijks op te wachten bij zijn thuiskomst, door op die momenten regelmatig te zwaaien en door het erf van aangever te betreden terwijl duidelijk was, ook vóór de uitreiking van de 'aanzegging wederrechtelijkheid belaging', dat aangever van dat gedrag niet was gediend, heeft verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat verdachte deze inbreuk op zijn levenssfeer heeft moeten dulden. Ook ontstond bij aangever steeds - en niet onbegrijpelijk - de vrees dat het tot een escalatie zou komen.
Door aldus en onder deze omstandigheden zo te handelen heeft verdachte willens en wetens inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Het verweer dat de raadsvrouw hieromtrent heeft gevoerd, wordt om die reden verworpen.
Het onder 2 tenlastegelegde feit is daarmee bewezen."
24. In de toelichting op het middel wordt terecht opgemerkt dat uit de bewezenverklaring niet blijkt wat [slachtoffer] heeft moeten dulden. Dit komt omdat "dwingen iets te" niet is bewezenverklaard en het begrip dulden dus in de lucht is komen te hangen. Hier is kennelijk sprake van een vergissing in die zin dat "dwingen iets te" ten onrechte niet in de bewezenverklaring is opgenomen. In zijn overwegingen spreekt het Hof immers van het moeten dulden van gedragingen van de verdachte, te weten dagelijks opwachten van [slachtoffer] bij zijn thuiskomst, op die momenten regelmatig zwaaien en het erf van [slachtoffer] betreden terwijl duidelijk was, ook vóór de uitreiking van de 'aanzegging wederrechtelijkheid belaging', dat [slachtoffer] van dat gedrag niet gediend was.
25. Bij de beantwoording van de vraag of de handelingen die verdachte heeft verricht zijn aan te merken als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever, heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd. Vgl. o.a. HR 29 juni 2004, LJN AO5710, NJ 2004, 426, m.nt. D.H. de Jong, rov. 3.7.
26. Anders dan de toelichting op het middel wil heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat de door het Hof beschreven gedragingen van verdachte qua aard, duur, frequentie en intensiteit/indringendheid(3) alsmede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, van dien aard waren dat deze een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk opleverden op de levenssfeer van [slachtoffer]. Verdachte verklaart zelf dat het hinderlijk gedrag is om elke dag wanneer [slachtoffer] zijn auto parkeerde op zijn invalidenparkeerplaats, te staan bij de auto van zijn vriendin die achter die invalidenparkeerplaats stond. Verdachte liep regelmatig het erf van [slachtoffer] op, ook nadat hem duidelijk was gemaakt dat [slachtoffer] dat niet toestond, en verdachte probeerde regelmatig de aandacht van [slachtoffer] te trekken door bewegingen te maken, door welk een en ander [slachtoffer] en zijn vrouw een zenuwinzinking nabij waren. Daarbij heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat [slachtoffer] als bezitter van een invalidenparkeerplaats kennelijk in zijn bewegingsvrijheid beperkt was en daardoor, naar ook aan verdachte bekend moet zijn geweest, extra kwetsbaar was voor inbreuken op zijn persoonlijke levenssfeer in de vorm van de gedragingen van de verdachte waartegen hij zich immers minder goed dan iemand die niet gehandicapt is kon teweer stellen.
27. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof het voor belaging vereiste oogmerk kunnen afleiden uit de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] niet alleen stond op te wachten wanneer deze met zijn auto thuis kwam, door de verdachte aangemerkt als hinderlijk gedrag, maar ook door op die momenten regelmatig naar hem te zwaaien en door het erf van aangever te betreden terwijl duidelijk was, ook vóór de uitreiking van de 'aanzegging wederrechtelijkheid belaging', dat aangever van dat gedrag niet was gediend. Daar komt bij dat die laatste gedragingen, zoals het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, naar hun aard niet als oogmerk kunnen hebben gehad in de gaten houden of [slachtoffer] bij het parkeren ook met zijn auto tegen die van verdachtes vriendin aanreed.
28. Het middel faalt.
29. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 ROPro bedoelde motivering.
30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Bewijsmiddel 1.
2 HR 27 september 2011, LJN BQ6702, rov. 4.2
3 Vgl. o.a. HR 7 februari 2006, LJN AU5787, NJ 2007, 107, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6, HR 29 juni 2010, LJN BL8642, rov. 2.5, waar de Hoge Raad in plaats van "intensiteit" het begrip "indringendheid" bezigt. Daarentegen spreekt de Hoge Raad in HR 22 maart 2011, LJN BP0096, NJ 2011, 228, rov. 3.5 weer van intensiteit.