ECLI:NL:PHR:2013:BY0535
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlandse nationaliteit en procesrechtelijke beoordeling van nieuwe gronden
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van afstamming van zijn Nederlandse moeder. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betwistte dit vanwege twijfel over zijn identiteit en afstamming. De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet kon aantonen dat zijn moeder biologisch verwant was en hij weigerde mee te werken aan een DNA-onderzoek.
Verzoeker stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte nieuwe in een laat stadium aangevoerde gronden buiten behandeling had gelaten, terwijl art. 283 Rv Pro dit niet toestaat. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ambtshalve kon besluiten deze gronden buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde en dat hiertegen geen cassatieberoep openstaat.
Daarnaast stelde verzoeker dat de afwijzing in strijd was met art. 8 EVRM Pro vanwege de impact op zijn sociale identiteit. De Hoge Raad volgde dit niet, omdat verzoeker geen discriminatie in de zin van art. 14 EVRM Pro had aangetoond. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen.