ECLI:NL:PHR:2013:BY0535

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00503
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 onder c Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892Art. 17 RWNArt. 261 e.v. RvArt. 283 RvArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlandse nationaliteit en procesrechtelijke beoordeling van nieuwe gronden

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van afstamming van zijn Nederlandse moeder. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betwistte dit vanwege twijfel over zijn identiteit en afstamming. De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet kon aantonen dat zijn moeder biologisch verwant was en hij weigerde mee te werken aan een DNA-onderzoek.

Verzoeker stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte nieuwe in een laat stadium aangevoerde gronden buiten behandeling had gelaten, terwijl art. 283 Rv Pro dit niet toestaat. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ambtshalve kon besluiten deze gronden buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde en dat hiertegen geen cassatieberoep openstaat.

Daarnaast stelde verzoeker dat de afwijzing in strijd was met art. 8 EVRM Pro vanwege de impact op zijn sociale identiteit. De Hoge Raad volgde dit niet, omdat verzoeker geen discriminatie in de zin van art. 14 EVRM Pro had aangetoond. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen.

Conclusie

Zaak 12/00503
Mr. P. Vlas
Zitting, 12 oktober 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
(hierna: de Staat)
In deze nationaliteitszaak speelt de vraag of de rechtbank nieuwe in een laat stadium van de procedure aangevoerde gronden op basis van art. 283 Rv Pro buiten behandeling mocht laten. Tevens komt de vraag aan de orde of de vaststelling dat de Nederlandse nationaliteit nimmer is verkregen in strijd is met art. 8 EVRM Pro vanwege de gevolgen voor de sociale identiteit van betrokkene.
1. Feiten en procesverloop
1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.(1) [Verzoeker] heeft op 11 december 2008 bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap en daartoe aangevoerd dat hij op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats], Ghana, is geboren als zoon van de ongehuwde vrouw [betrokkene 1], van Nederlandse nationaliteit. Zijn biologische vader is [betrokkene 2]. Zijn ouders zijn nooit met elkaar gehuwd geweest en hij is nimmer door zijn biologische vader erkend. Zijn vader, die hij nooit heeft gekend, is overleden toen [verzoeker] ongeveer zeven jaar oud was. [Verzoeker] stelt primair op grond van het bepaalde in art. 1 onder Pro c van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892 (hierna: WNI) door geboorte het Nederlanderschap te hebben verkregen. Subsidiair heeft [verzoeker] een beroep gedaan het gezag van gewijsde van een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 december 1997 omtrent de afstamming van [verzoeker].
1.2 De IND stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] onvoldoende heeft aangetoond dat hij bij zijn geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen. Er bestaat gerede twijfel over de identiteit (in het bijzonder de afstamming) van [verzoeker]. De officier van justitie sluit zich bij dit advies aan.
1.3 In de beschikking van 6 januari 2011 oordeelt de rechtbank over het subsidiaire standpunt inzake de afstamming in rov. 3.1 als volgt:
'(...) [Verzoeker] heeft in 1997 bij de rechtbank Amsterdam in een verzoekschriftprocedure om vernietiging verzocht van de beslissing van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam van 4 december 1996. Daarbij is bepaald dat [verzoeker] zal worden beschreven als zijnde van onbekende afstamming en van uitsluitend Ghanese nationaliteit, indien hij niet vóór 3 januari 1997 de gevraagde, gelegaliseerde geboorteakte heeft toegestuurd. Het beroep van [verzoeker] is door de rechtbank Amsterdam bij beschikking d.d. 23 december 1997 gegrond verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank Amsterdam - kort gezegd - dat [verzoeker] al sedert 1987 als zoon van [betrokkene 1] geregistreerd staat, dat er twijfel is gerezen over zijn afstamming vanwege het op 22 februari 1994 door [betrokkene 1] overleggen van een geboorteakte van een ander kind en dat het in strijd met de zorgvuldigheid is om van [verzoeker] nu nog bewijs te verlangen van zijn afstamming dat in overeenstemming is met de heden ten dage geldende vereisten.
Anders dan [verzoeker] is de rechtbank van oordeel dat bovenstaande beschikking er niet toe kan leiden dat het onderhavige, op artikel 17 RWN Pro gebaseerde verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap dient te worden toegewezen. In de procedure voor de rechtbank Amsterdam was de IND immers geen partij, zodat aan de daar gegeven beschikking thans geen gezag van gewijsde toekomt. De door [verzoeker] aangevoerde rechtsbeginselen zijn bovendien geen gronden waarop op grond van de RWN het Nederlanderschap kan worden verkregen. In de onderhavige procedure, waarin - anders dan bij de procedure voor de rechtbank Amsterdam - een uitgebreid onderzoek door de IND plaatsvindt, dient te worden vastgesteld of [verzoeker] werkelijk in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Op grond van het subsidiaire standpunt van [verzoeker] kan dus niet worden geconcludeerd dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit'.
1.4 In het kader van het primaire beroep op het Nederlanderschap door afstamming zijn zes geboorteakten ingediend. De rechtbank oordeelt dat aan de hand van die geboorteakten niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat [betrokkene 1] de biologische moeder is van [verzoeker]. De rechtbank oordeelt dat het verzoek afgewezen moet worden als er geen ander bewijs wordt bijgebracht.
1.5 De rechtbank heeft [verzoeker] vervolgens in de gelegenheid gesteld zich te beraden over zijn medewerking aan een DNA-onderzoek. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat het niet-uitvoeren van dit onderzoek hoogstwaarschijnlijk tot afwijzing van zijn verzoek zal leiden. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat indien uit DNA-onderzoek komt vast te staan dat [betrokkene 1] de biologische moeder is van [verzoeker] 'zoals op dat moment valt te overzien', vastgesteld zal kunnen worden dat [verzoeker] vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
1.6 [Verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij uit hoofde van zijn geloofsovertuiging niet aan een DNA-onderzoek kan meewerken, ook niet als dit op een andere wijze dan via het afstaan van bloed zal geschieden. Bij beschikking van 17 november 2011 heeft de rechtbank overwogen dat zij de zaak alleen heeft aangehouden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zijn medewerking aan een DNA-onderzoek. Daarom heeft de rechtbank de nieuwe door [verzoeker] aangevoerde argumenten buiten beschouwing gelaten.
1.7 De rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen, nu [verzoeker] heeft geweigerd mee te werken aan een DNA-onderzoek en de rechtbank van oordeel is dat [verzoeker] er niet in is geslaagd aan te tonen dat [betrokkene 1] zijn biologische moeder is.
1.8 [Verzoeker] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 17 november 2011.(2) De Staat heeft een verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1 Het cassatieberoep is slechts gericht tegen de beschikking van 17 november 2011 en niet tegen de beschikking van 6 januari 2011, zodat thans als onbestreden in cassatie vaststaat dat de rechtbank niet gebonden is aan de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 1997 en opnieuw mocht onderzoeken of [verzoeker] het Nederlanderschap heeft verkregen (zie rov. 3.1 van de beschikking van 6 januari 2011). In cassatie bestrijdt [verzoeker] rov. 2.1 van de beschikking van 17 november 2011, waarin is overwogen dat de behandeling van de zaak alleen is aangehouden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zijn medewerking aan een DNA-onderzoek. De nieuwe door [verzoeker] aangevoerde argumenten heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten. In het cassatiemiddel betoogt [verzoeker] dat dit in strijd is met art. 283 Rv Pro, waarin is bepaald dat zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd is het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen.
2.2 Op de vaststellingsprocedure van art. 17 RWN Pro zijn de regels van de verzoekschriftprocedure van art. 261 e.v. Rv van toepassing.(3) De wijziging, vermindering of vermeerdering van het verzoek is geregeld in art. 283 Rv Pro, waarin art. 130 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard. Krachtens art. 130 lid Pro 1, slotzin, Rv kan de rechter op de grond dat de verandering of vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde, ook ambtshalve deze verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten. Op grond van art. 130 lid 2 staat Pro tegen een dergelijke beslissing van de rechter geen hogere voorziening open.
2.3 Bij brief van 23 juni 2011 heeft de Staat op de nieuwe gronden gereageerd en daartegen geen protest aangetekend. Kennelijk heeft de rechtbank de nieuwe gronden ambtshalve buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Tegen deze beslissing kan niet in cassatie worden opgekomen. Voor zover het cassatiemiddel kan worden opgevat als een beroep op een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod(4) dat de rechter art. 283 Rv Pro ten onrechte niet heeft toegepast, mist het feitelijke grondslag.
2.4 Op het voorgaande stuit ook de klacht af dat de rechtbank essentiële stellingen van [verzoeker] in haar oordeel had moeten betrekken, dat de rechtbank ten onrechte door [verzoeker] aangevoerd bewijs onbesproken heeft gelaten en het bewijsaanbod van [verzoeker] heeft gepasseerd.
2.5 Het cassatiemiddel betoogt voorts dat de vaststelling dat [verzoeker] nooit de Nederlandse nationaliteit heeft gehad in strijd is met art. 8 EVRM Pro vanwege de gevolgen voor zijn sociale identiteit. [verzoeker] beroept zich daartoe op de beslissing van het EHRM van 11 oktober 2011 (Genovese/Malta, nr. 53124/09).
2.6 Het is vaste rechtspraak dat noch aan art. 8 EVRM Pro noch aan enige andere bepaling van dit verdrag het recht kan worden ontleend op verkrijging van nationaliteit.(5) Ook in de zaak Genovese/Malta heeft het EHRM beslist dat art. 8 EVRM Pro geen recht geeft op de verkrijging van een nationaliteit, maar:
'it cannot be ruled out that an arbitrary denial of citizenship might in certain circumstances raise an issue under Article 8 of the Convention because of the impact of such a denial on the private life of the individual (...)' (rov. 30).
In rov. 31 heeft het EHRM ten aanzien van art. 14 EVRM Pro overwogen:
'With regard to Article 14, the Court reiterates that it only complements the other substantive provisions of the Convention and the Protocols thereto. It has no independent existence since it has effect solely in relation to "the enjoyment of the rights and freedoms" safeguarded by those provisions (...). The application of Article 14 does not necessarily presuppose the violation of one of the substantive rights protected by the Convention. It is necessary but it is also sufficient for the facts of the case to fall "within the ambit" of one or more of the Articles of the Convention (...)'.
2.7Uit deze uitspraak van het EHRM volgt dat wanneer het niet verlenen van de nationaliteit grote gevolgen heeft voor de sociale identiteit van de betrokkene, de zaak 'within the ambit' van art. 8 EVRM Pro kan vallen en daarmee art. 14 EVRM Pro in beeld kan komen. Indien een verdragsstaat de mogelijkheid biedt de nationaliteit van die staat op basis van afstamming te verkrijgen en daarvoor een procedure kent, kan getoetst worden of bij weigering van de verlening van die nationaliteit sprake is van discriminatie in de zin van art. 14 EVRM Pro. [verzoeker] heeft zich beroepen op het feit dat de weigering hem het Nederlanderschap te verlenen wel gevolgen heeft voor zijn sociale identiteit, maar hij heeft niet aangevoerd dat sprake is van discriminatie in de zin van art. 14 EVRM Pro noch is daarvan op enigerlei wijze gebleken. De klacht moet daarom falen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 januari 2011
2 Bij gebreke van een afwijkende cassatietermijn in de RWN, geldt de algemene termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv Pro.
3 Zie o.a. HR 25 mei 2012, LJN: BV9961, NJ 2012/339.
4 HR 12 mei 2006, LJN: AV8720, NJ 2006/293, rov. 3.3.2. Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 130 Rv Pro, aant. 6 (W. Heemskerk).
5 Zie laatstelijk rov. 3.3.3 van HR 25 mei 2012, LJN: BV9435, NJ 2012/337.