ECLI:NL:PHR:2013:BX9148
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over vrijval van niet-afgedragen dividendbelastingschuld bij vennootschap
In deze zaak staat centraal of de vrijval van een niet-afgedragen dividendbelastingschuld bij een vennootschap belastbare winst vormt. De belanghebbende, een vennootschap met één aandeelhouder/directeur, had een dividend uitgekeerd waarop dividendbelasting was ingehouden maar nooit afgedragen. De Inspecteur verhoogde het belastbare bedrag met het bedrag van de niet-afgedragen dividendbelasting omdat deze schuld niet meer kon worden nageheven.
De Rechtbank verklaarde het beroep van de belanghebbende gegrond, maar het Hof stelde de Inspecteur in het gelijk. Het Hof oordeelde dat de vrijval van de afdrachtschuld een vermogensvermeerdering is die belastbaar is volgens artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb). De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de dividendbelastingschuld na inhouding een eigen schuld aan de fiscus vormt en dat de vrijval daarvan als een voordeel uit onderneming moet worden beschouwd.
De Hoge Raad bespreekt ook eerdere jurisprudentie, waaronder HR B. 8965, waarin een andere situatie aan de orde was (vrijval van een nettodividendschuld). In tegenstelling tot die zaak is hier sprake van een afdrachtschuld die niet is voldaan en die in beginsel verrekenbaar is met de inkomstenbelasting van de aandeelhouder. De Hoge Raad wijst erop dat de bewijslast voor het niet-verrekenen van de dividendbelasting bij de belanghebbende ligt. De conclusie is dat de vrijval van de niet-afgedragen dividendbelastingschuld belastbare winst vormt en het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vrijval van de niet-afgedragen dividendbelastingschuld belastbare winst vormt.